Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9199

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
NL24.25849
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 4, eerste lid, KwalificatierichtlijnECLI:NL:RVS:2015:2170ECLI:NL:RVS:2018:2086ECLI:EU:C:2014:2406
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielverzoek wegens ongeloofwaardigheid homoseksualiteit en onvoldoende onderbouwing

Eiser uit Guinee verzocht asiel op basis van zijn homoseksualiteit en vrees voor vervolging door zijn schoonfamilie en in Mali. Na eerdere afwijzingen en een opvolgende aanvraag wees de minister het verzoek af wegens ongeloofwaardigheid van het asielrelaas.

De rechtbank beoordeelde het iMMO-rapport, dat medische en psychische klachten signaleerde die mogelijk het verklaringsvermogen beïnvloedden, maar concludeerde dat dit geen aanleiding gaf tot aanvullend onderzoek. De minister had voldoende rekening gehouden met beperkingen tijdens het gehoor.

De geloofwaardigheid van eisers homoseksualiteit werd getoetst aan zijn late bekendmaking, tegenstrijdige verklaringen over relaties, beperkte kennis van LHBTI-kwesties en onvoldoende onderbouwing van zijn vrees voor terugkeer. Ook de littekens op zijn lichaam konden niet eenduidig worden toegeschreven aan mishandeling vanwege zijn seksuele gerichtheid.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht de aanvraag als kennelijk ongegrond had afgewezen en verklaarde het beroep ongegrond. De afwijzing blijft daarmee in stand en er worden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid van het asielrelaas.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.25849

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M.M.J. van Zantvoort),
en
de minister van Asiel en Migratie [1] ,
(gemachtigden: mr. N.N. Bontje en mr. A. Al-Edani).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn opvolgende asielaanvraag. De rechtbank komt tot het oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat het aan deze aanvraag ten grondslag gelegde asielrelaas van eiser – zijn gestelde homoseksualiteit – ongeloofwaardig is. Het onderzoek waarop de minister zijn conclusie baseert is zorgvuldig verricht. Het door eiser overgelegde rapport van het instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (iMMO) verandert die conclusie niet. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.1.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft op 2 april 2025 een richtinggevende uitspraak gedaan over de inzichtelijkheid van iMMO-rapporten. [2] Het iMMO heeft naar aanleiding daarvan wijzigingen doorgevoerd in de wijze van opstelling van deze rapporten. De rechtbank gaat in deze uitspraak voor het eerst in op zo’n gewijzigd iMMO-rapport.
1.2.
De rechtbank zet hierna eerst het procesverloop uiteen (2). Daarna gaat de rechtbank in op de asielmotieven van eiser in zijn eerdere en de huidige asielprocedure en de standpunten van partijen (3 en 4). De rechtbank zal vervolgens beoordelen of het iMMO-rapport de minister aanleiding had moeten geven tot nader medisch onderzoek (5-9): de rechtbank zal hier ingaan op het door eiser overgelegde iMMO-rapport en het betoog dat op grond van de daarin opgenomen conclusies niet van eisers verklaringen mag worden uitgegaan. De rechtbank beoordeelt daarna of de minister, op grond van deze verklaringen, mocht concluderen dat de door eiser gestelde homoseksualiteit niet geloofwaardig is (10). Vervolgens gaat de rechtbank onder 11 in op de vraag of de minister voldoende rekening heeft gehouden met de conclusies van het iMMO over de bij eiser aangetroffen littekens en de vraag of deze zijn relaas bevestigen. Tot slot geeft de rechtbank een conclusie (12).
Procesverloop
2. Eiser heeft op 8 oktober 2018 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag op 28 juni 2021 afgewezen als ongegrond. Bij uitspraak van 4 mei 2022 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, het tegen dit besluit ingediende beroep ongegrond verklaard. [3] De Afdeling heeft deze uitspraak op 26 mei 2023 bevestigd. [4]
2.1.
Eiser heeft op 24 mei 2022 een opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 21 juni 2024 als kennelijk ongegrond afgewezen. De rechtbank heeft het hiertegen ingestelde beroep op 16 september 2024 op zitting behandeld. Bij uitspraak van 20 september 2024 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het door eiser ingediende verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen in verband met het opstarten van een onderzoek bij het iMMO. [5] Eiser heeft op 17 juli 2025 het iMMO-rapport overgelegd. De rechtbank heeft vervolgens besloten het beroep voor nadere behandeling te verwijzen naar de meervoudige kamer.
2.2.
De minister heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep vervolgens op 11 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de minister. Ook het iMMO was op zitting vertegenwoordigd.

Beoordeling door de rechtbank

Wat waren de asielmotieven van eiser in zijn eerdere asielprocedure en het standpunt van de minister?
3. Eiser komt uit Guinee. Hij heeft aan zijn eerste asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in Guinee te vrezen heeft voor de schoonfamilie van zijn zus ([naam zus]). Deze zus heeft een verblijfsvergunning asiel gekregen in Nederland. In verband met de problemen met de schoonfamilie verbleef eiser vanaf 12-jarige leeftijd in het buurland Mali.
3.1.
De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser op grond hiervan niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij verdragsvluchteling is of bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade. Dat standpunt staat met de uitspraak van de Afdeling van 26 mei 2023 in rechte vast.
Wat zijn de asielmotieven van eiser in zijn huidige asielprocedure en de standpunten van partijen?
4. Eiser heeft aan zijn huidige asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij er in Mali achter is gekomen dat hij homoseksueel is. Dit asielmotief had eiser ook al in de beroepsprocedure van de eerste asielprocedure als nieuw asielmotief naar voren gebracht, maar de rechtbank heeft dit niet in de beoordeling betrokken. Door zijn homoseksualiteit heeft eiser in Mali problemen ondervonden. Hij stelt dat hij niet kan terugkeren naar Guinee, omdat hij daar vanwege zijn homoseksualiteit problemen zal ondervinden. Ook stelt hij niet naar Guinee te kunnen terugkeren omdat de schoonfamilie van zijn zus nog steeds naar hem op zoek is.
4.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat de problemen die eiser stelt te hebben gehad vanwege zijn zus al zijn beoordeeld in de eerdere asielprocedure en hierover geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren zijn gebracht. De minister acht de door eiser gestelde homoseksualiteit, gelet op eisers verklaringen, niet geloofwaardig. Daarom acht de minister de gestelde problemen in Mali ook niet geloofwaardig. Bovendien zien die problemen op Mali, terwijl eiser moet terugkeren naar Guinee, het land waarvan eiser de nationaliteit heeft.
4.2.
Eiser is het hier niet mee eens. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn psychische klachten en andere omstandigheden die hem beperkt hebben in zijn vermogen om complete, coherente en consistente verklaringen af te leggen. Om die reden had de minister volgens eiser niet mogen uitgaan van het verslag van het gehoor opvolgende aanvraag. Eiser heeft ter onderbouwing het iMMO-rapport van 17 juli 2025 overgelegd. Als al uitgegaan kan worden van de verklaringen, zoals opgenomen in het verslag opvolgende aanvraag, is eiser van mening dat de minister op grond daarvan ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat zijn verklaringen over zijn homoseksualiteit ongeloofwaardig zijn. Hij betoogt in dit verband ook dat de bevindingen van het iMMO over de littekens, de verklaringen over zijn problemen bevestigen.
4.3.
De minister stelt zich op het standpunt dat eiser met het iMMO-rapport van 17 juli 2025 niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn psychische klachten van invloed zijn geweest op zijn vermogen om te verklaren. Volgens de minister is het rapport onvoldoende inzichtelijk en voldoet het niet aan de eisen die aan een deskundigenrapport mogen worden gesteld. Hiertoe wijst de minister op de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025. Daarnaast blijkt uit het rapport niet, althans niet meer dan is aangenomen in het advies van MediFirst van 17 augustus 2022, dat deze klachten zouden hebben geleid tot een interferentie met zijn vermogen om compleet, coherent en consistent over zijn asielrelaas te verklaren. De enkele diagnose van een posttraumatische stressstoornis (PTSS) is daarvoor volgens de minister onvoldoende. De minister benadrukt voorts dat het iMMO slechts heeft vastgesteld dat de klachten ‘mogelijk’ hebben geïnterfereerd met het verklaringsvermogen, een relatief lage gradatie. Daarnaast is volgens de minister niet in geschil dat het gehoor van 11 juni 2024 zorgvuldig is verlopen. Tot slot wijst de minister erop dat tijdens het gehoor rekening is gehouden met het vermoeden dat eiser laagbegaafd is. Volgens de minister mocht hij daarom van de tijdens het gehoor afgelegde verklaringen over eisers homoseksualiteit uitgaan.
4.4.
De rechtbank zal hierna beoordelen of het iMMO-rapport de minister aanleiding had moeten geven tot nader medisch onderzoek.
Wat onderzoekt iMMO?
5. Stichting iMMO verricht medisch en psychisch onderzoek in asielzaken. Het iMMO onderzoekt of lichamelijke bevindingen, zoals littekens of verwondingen, en psychische klachten passen bij de door de vreemdeling gestelde gebeurtenissen. Daarnaast beoordeelt iMMO of eventuele psychische klachten van invloed kunnen zijn geweest op het vermogen van de vreemdeling om tijdens de asielgehoren compleet, coherent en consistent te verklaren. Het iMMO werkt met een vaste vraagstelling, bestaande uit een A1-, A2- en B-vraag. De A1- en A2-vraag betreffen de mate waarin lichamelijke respectievelijk psychische klachten kunnen zijn voortgekomen uit het gestelde asielrelaas, aan de hand van de gradaties uit het Istanbul Protocol, variërend van ‘niet consistent’ tot ‘kenmerkend’. De B-vraag ziet op de vraag of de lichamelijke en/of psychische klachten het verklaringsvermogen van de vreemdeling ten tijde van het asielgehoor hebben beïnvloed.
Wat heeft de Afdeling geoordeeld?
6. De Afdeling heeft op 2 april 2025 geoordeeld dat het ingebrachte iMMO-rapport, voor zover het de beantwoording van de B-vraag betreft, onvoldoende inzichtelijk was. De daarin opgenomen vaststellingen, redeneringen en conclusies sloten niet steeds aan bij de actuele wetenschappelijke inzichten en de eisen die aan een deskundigenrapport moeten worden gesteld. Het iMMO had in die zaak onvoldoende gemotiveerd dat de conclusie dat de geconstateerde psychische en lichamelijke problematiek van de vreemdeling zeker heeft geïnterfereerd met zijn vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren, berust op een op de individuele persoon toegespitste beoordeling.
De enkele diagnose van PTSS is daarvoor onvoldoende, nu de invloed daarvan op het geheugen per persoon kan verschillen. Het rapport dat in die zaak was overgelegd bood geen inzicht in de bevindingen waarop de conclusie was gebaseerd dat de medische klachten hebben geleid tot een geheugenstoornis of anderszins tot interferentie met het vermogen van de betreffende vreemdeling om compleet, coherent en consistent over zijn asielrelaas te verklaren. Voor zover een geheugenstoornis ten tijde van de gehoren zou moeten worden aangenomen, had nader moeten worden toegelicht of en hoe deze het verklaringsvermogen heeft beïnvloed. De conclusie dat de medische problematiek ‘zeker’ heeft geleid tot interferentie met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren was daarom onvoldoende inzichtelijk. De minister heeft het antwoord op de B-vraag in het iMMO-rapport volgens de Afdeling dan ook buiten beschouwing mogen laten en zich bij de geloofwaardigheidsbeoordeling mogen baseren op de verklaringen die de betrokkene tijdens de asielgehoren heeft afgelegd.
Wat is de werkwijze van het iMMO na de uitspraak van de Afdeling?
7. Het iMMO heeft naar aanleiding van deze uitspraak van de Afdeling in juli 2025 wijzigingen doorgevoerd in de formulering en beantwoording van de B-vraag. Het doel van het onderzoek is ongewijzigd gebleven, maar iMMO geeft geen overkoepelende kwalificatie meer over de mate waarin medische klachten het verklaren hebben beïnvloed. In plaats daarvan wordt beoordeeld of ten tijde van de asielgehoren sprake was van medische problematiek of andere omstandigheden die mogelijk een rol hebben gespeeld bij het verklaren. Daarnaast zal iMMO explicieter verwijzen naar actuele wetenschappelijke literatuur. [6]
De rechtbank heeft deze werkwijze op zitting met het iMMO besproken. Het iMMO heeft toegelicht dat de werkwijze inhoudelijk niet is gewijzigd, maar dat wel de wijze van formuleren in de rapportages is aangepast. In de rapporten worden de medische en psychische klachten beschreven en wordt aangegeven of deze mogelijk een rol hebben gespeeld bij het verklaren. Anders dan voorheen worden daarbij geen gradaties meer gebruikt en wordt geen stellige conclusie meer gegeven over de mate waarin deze klachten het verklaringsvermogen hebben beïnvloed. Het iMMO heeft toegelicht dat het niet mogelijk is om achteraf met zekerheid vast te stellen in hoeverre medische problematiek het verklaren tijdens eerdere gehoren heeft beïnvloed. Om die reden beperkt iMMO zich tot het benoemen van de medische problematiek en het signaleren dat deze mogelijk van invloed kan zijn geweest.
Wat staat er in het iMMO-rapport over het vermogen van eiser om te kunnen verklaren?
8. Uit het iMMO-rapport blijkt dat bij eiser ten tijde van de asielgehoren in december 2020 en juni 2024 sprake was van medische problematiek en andere bijzonderheden die mogelijk van invloed zijn geweest op het afleggen van verklaringen. Het rapport signaleert “klachten passend bij een PTSS, een vermoeden van een verstandelijke beperking en schaamte en angst voor consequenties bij disclosure”. Deze factoren hebben volgens iMMO mogelijk een rol gespeeld bij het afleggen van verklaringen tijdens deze gehoren.
Had het iMMO-rapport aanleiding moeten geven voor nader onderzoek?
9. De minister heeft eiser op 12 juli 2022 medisch laten onderzoeken door MediFirst. Uit het onderzoek van MediFirst blijkt dat eiser tijdens het gesprek slechts beperkt op eenvoudige vragen kon antwoorden en geheugen- en concentratieproblemen vertoonde. Het onderzoek wijst ook uit dat hij beladen gebeurtenissen heeft meegemaakt en dat het bespreken daarvan tot spanning kan leiden; om deze reden is geadviseerd tijdig pauzes in te lassen. Daarnaast is vastgesteld dat eiser beperkt kan lezen en schrijven, mogelijk cognitief minder ontwikkeld is en moeite heeft met tijdsaanduiding, zelfs bij benadering.
9.1.
De rechtbank stelt vast dat de conclusies van iMMO niet wezenlijk afwijken van die van MediFirst. Dat het iMMO naast medische klachten ook schaamte heeft benoemd maakt dit niet anders. De minister heeft op zitting toegelicht dat gehoorambtenaren tijdens asielgehoren waarin een betrokkene over zijn gestelde homoseksualiteit verklaart, rekening houden met dergelijke gevoelens en betrokkenen waar nodig geruststellen. Niet is gebleken dat dit bij eiser niet is gebeurd. Daarnaast blijk uit het iMMO-rapport niet dat de beschreven klachten, meer dan al is aangenomen in het advies van MediFirst, hebben geleid tot een interferentie met zijn vermogen om compleet, coherent en consistent over zijn asielrelaas te verklaren. Uit geen van beide rapporten blijkt verder dat eiser zodanig beperkt is in zijn mogelijkheden om te verklaren, dat hij niet kon worden gehoord of dat zijn verklaringen buiten beschouwing moeten blijven.
9.2.
De rechtbank stelt verder vast dat niet in geschil is dat met de door MediFirst vastgestelde beperkingen rekening is gehouden bij het nader gehoor. Dat hieraan voorbij zou zijn gegaan in de besluitvorming volgt de rechtbank niet. In het voornemen is, met verwijzing naar het MediFirst-rapport, opgenomen dat eiser geheugen- en concentratieproblemen heeft, waarop tijdens het gehoor is geanticipeerd door vragen eenvoudig te formuleren. Ook is vermeld dat eiser spanning kan ervaren bij het bespreken van beladen gebeurtenissen, waarvoor tijdens het gehoor pauzes zijn ingelast en is gecontroleerd of het gehoor kon worden voortgezet. Omdat eiser zelf aangeeft dat hiermee voldoende rekening is gehouden, mocht de minister uitgaan van de verklaringen zoals tijdens het gehoor afgelegd. Voorts is in het MediFirst-rapport vermeld dat eiser problemen heeft met tijdsaanduiding; hier is bij de besluitvorming eveneens rekening mee gehouden door op dit punt niet te wijzen op eventuele inconsistenties.
9.3.
Het voorgaande leidt tot de tussenconclusie dat de minister naar aanleiding van het iMMO-rapport geen aanvullend onderzoek naar de psychische klachten van eiser hoefde te verrichten. Ook is niet gebleken dat de minister tijdens het gehoor onvoldoende rekening heeft gehouden met de vastgestelde beperkingen, zodat de minister bij het nemen van een besluit mocht uitgaan van de verklaringen zoals deze in het verslag van het gehoor zijn opgenomen. De rechtbank zal hierna beoordelen of de minister, op grond van deze verklaringen, mocht oordelen dat de door eiser gestelde homoseksualiteit niet geloofwaardig is.
Geloofwaardigheidsbeoordeling
10. Eiser betoogt dat de minister zijn gestelde homoseksualiteit ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser voert aan dat hem ten onrechte wordt tegengeworpen dat hij pas na ongeveer 3,5 jaar over zijn seksuele gerichtheid heeft verklaard. Volgens eiser had hij grote moeite om hierover te spreken en blijkt uit zijn verklaringen dat hij hierover terughoudend was. Daarnaast betoogt eiser dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet inzichtelijk maakt waarom zijn zus zijn homoseksualiteit niet zal accepteren en hoe het is om homoseksualiteit te verbergen voor zijn zus. In dat verband mocht de minister niet tegenwerpen dat het merkwaardig is dat hij enerzijds verklaart dat hij in Guinee zijn homoseksualiteit niet verborgen zal kunnen houden, maar dat in Nederland wel kan. Die twee situaties zijn volgens eiser niet vergelijkbaar. Eiser betoogt verder dat de minister ten onrechte heeft geconcludeerd dat hij onvoldoende over zijn relatie met [persoon A] heeft verklaard. Volgens eiser heeft hij wel degelijk inzicht gegeven in het belang van deze relatie en zijn gevoelens voor [persoon A]. Zo heeft hij verklaard dat hij nog steeds niet openstaat voor een nieuwe relatie en dat hij [persoon A] is gaan zoeken. Volgens eiser heeft de minister onvoldoende gemotiveerd wat hij nog meer had moeten verklaren. Eiser betoogt dat de minister hem ook ten onrechte tegenwerpt dat hij weinig kennis heeft van de positie van LHBTI-personen. Volgens eiser was zijn relatie met [persoon A] geheim en leefde hij in angst, waardoor hij geen ruimte voelde om zich te verdiepen in de positie van homoseksuelen of in belangenorganisaties. Daarnaast had de minister volgens eiser rekening moeten houden met zijn jonge leeftijd.
Juridisch kader
10.1.
Het toetsingskader voor de beoordeling van de geloofwaardigheid in zaken over seksuele gerichtheid staat in de Werkinstructie 2019/17 ‘Horen en beslissen in zaken waarin LHBTI-gerichtheid als asielmotief is aangevoerd’.
Volgens deze werkinstructie betrekt de minister bij het horen en bij de beoordeling van de geloofwaardigheid in ieder geval de volgende thema’s:
(i) privéleven;
(ii) huidige en voorgaande relaties, contacten in het land van herkomst en contact met of kennis van LHBTI groepen;
(iii) contact met LHBTI’ers in Nederland en kennis van de Nederlandse situatie;
(iv) discriminatie, repressie en vervolging in het land van herkomst.
Bij de beoordeling wordt betrokken of de verklaringen consistent zijn en overeenkomen met hetgeen bekend is over de algemene situatie (ten aanzien van LHBTI’ers) in het land van herkomst. In het algemeen kan worden gesteld dat het zwaartepunt ligt op de antwoorden op vragen over de eigen ervaringen en persoonlijke beleving van de vreemdeling met betrekking tot zijn seksuele gerichtheid, wat dit voor hem en zijn omgeving heeft betekend, wat de situatie is voor personen met die gerichtheid in het land van herkomst van de vreemdeling en hoe diens ervaringen, ook volgens zijn asielrelaas, in het algemene beeld passen.
Verklaringen over vriendin
10.2.
De rechtbank overweegt dat de minister eiser mocht tegenwerpen dat hij tijdens zijn eerdere asielprocedure op meerdere momenten heeft verklaard dat hij een vriendin had. Eiser heeft tijdens het gehoor aanmeldfase de vraag van de gehoorambtenaar of hij een partner heeft negatief beantwoord, maar wel aangegeven dat hij vroeger een vriendin had. [7] Tijdens het eerste gehoor is eiser gevraagd of hij verloofd is of een relatie heeft. Daarop heeft eiser geantwoord dat hij een vriendin had, maar zijn relatie is uitgegaan voor zijn vertrek. [8] De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet duidelijk heeft kunnen maken hoe deze eerdere verklaringen zich verhouden tot de gestelde homoseksualiteit. De minister is eiser niet gevolgd in zijn verklaring tijdens het gehoor opvolgende aanvraag en de correcties en aanvullingen op dat gehoor dat het zou gaan om een dochter van een Gendarme bij wie hij heeft gewoond, omdat eiser twee keer expliciet heeft verklaard dat hij een vriendin had en daarom niet valt in te zien waarom dit meerdere keren fout zou zijn opgenomen. Ook heeft de minister erop gewezen dat eiser de vraag over het hebben van een relatie goed moet hebben begrepen, want hij heeft op deze vraag geantwoord dat de relatie (met zijn vriendin) is uitgegaan voor zijn vertrek. Ook heeft de minister van belang geacht dat eiser zijn verklaringen uit de vorige asielprocedure nooit heeft gecorrigeerd. Eiser is hierop in beroep niet meer ingegaan. Dat eiser, zoals hij stelt, laagbegaafd is, betekent niet dat eiser over het voorgaande niet eenduidig had moeten verklaren.
Homoseksualiteit niet eerder naar voren gebracht
10.3.
Eiser heeft 3,5 jaar na het indienen van zijn eerste asielaanvraag [9] naar voren gebracht dat hij homoseksueel is. Naar het oordeel van de rechtbank mocht de minister deze omstandigheid in het nadeel van eiser betrekken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de gestelde homoseksualiteit. Het is juist dat uit het enkele feit dat dit asielmotief pas laat naar voren is gebracht niet de conclusie mag worden getrokken dat eisers verklaringen hierover alleen daarom al ongeloofwaardig zijn [10] of het asielmotief daarom niet als nieuw element wordt aangemerkt, maar dat standpunt neemt de minister niet in. Het tijdstip waarop een dergelijk motief wordt aangevoerd is echter wel een relevante omstandigheid bij de beoordeling van de geloofwaardigheid. Van een verzoeker om internationale bescherming mag namelijk in beginsel worden verwacht dat hij de elementen ter onderbouwing van zijn verzoek zo spoedig mogelijk naar voren brengt. [11] Daarbij moet wel rekening worden gehouden met de individuele omstandigheden van de betrokkene, waaronder de reden voor het late naar voren brengen.
De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser geen toereikende verklaring heeft gegeven voor het feit dat hij zijn homoseksualiteit pas 3,5 jaar na het indienen van zijn asielaanvraag naar voren heeft gebracht. Eiser heeft immers verklaard dat hij reeds in Mali wist dat hij homoseksueel was. De minister heeft de verklaring van eiser dat hij nieuw was in Nederland en bang was voor zijn zus [12] onvoldoende mogen achten. Daarbij heeft de minister niet ten onrechte betrokken dat eiser al geruime tijd in Nederland verbleef en, gelet op eerdere asielgehoren, had kunnen weten dat zijn verklaringen vertrouwelijk worden behandeld. Bovendien was het eiser vanaf 28 juni 2021 bekend dat de problemen van zijn zus geen reden waren om zijn asielaanvraag in te willigen, wat betekende dat hij terug moest keren naar Guinee, en toch heeft hij zonder toereikende verklaring nog tot 10 maart 2022 gewacht met het uiten van zijn vrees voor terugkeer in verband met zijn homoseksualiteit. Verder heeft eiser ook aangegeven dat zijn homoseksualiteit per toeval naar boven is gekomen in een gesprek met zijn advocaat. Deze verklaring is moeilijk te rijmen met zijn eerdere toelichting dat hij grote moeite had om hierover te spreken en dat hij hierover terughoudend was. In beroep heeft eiser aangevoerd dat hij het persoonlijk moeilijk vond om over zijn homoseksualiteit te spreken. Hoewel de rechtbank dat net als de minister begrijpelijk vindt, heeft hij deze reden niet tijdens het gehoor naar voren gebracht en heeft de minister niet ten onrechte gesteld dat dit onvoldoende is ter verklaring van het late moment waarop hij zijn seksuele gerichtheid naar voren heeft gebracht en dat dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van dit asielmotief.
Relatie niet inzichtelijk gemaakt
10.4.
De rechtbank volgt de minister ook in zijn standpunt dat eiser weinig inzicht geeft in hoe het voor hem was om tegen [persoon A], zijn eerste partner, te zeggen dat hij homoseksueel is. De minister stelt niet ten onrechte dat van eiser mocht worden verwacht dat hij hierover meer duidelijkheid zou geven, temeer nu hij lange tijd zijn homoseksualiteit heeft moeten verbergen en homoseksualiteit in Mali strafbaar is. Eiser heeft hierover slechts verklaard dat het voor hem een belangrijk moment was, dat hij een blij gevoel had, omdat hij verzekerd was dat [persoon A] hem niet in de val wilde lokken en dat hij zeer content was omdat hij niet meer alleen hoefde te zijn. [13] Met deze verklaringen geeft eiser echter weinig inzicht in zijn gedachten en beleving op dat moment. Daarnaast heeft de minister niet ten onrechte overwogen dat uit de verklaringen van eiser onvoldoende duidelijk wordt hoe de aanvankelijk vriendschappelijke relatie met [persoon A] zich heeft ontwikkeld tot een liefdesrelatie. Eiser heeft slechts in algemene bewoordingen verklaard over zijn verliefdheid. [14] Ook heeft hij niet kunnen toelichten welke zorgen [persoon A] over hem had en heeft hij daarvan geen concrete voorbeelden gegeven. Op deze punten is eiser in beroep niet concreet ingegaan. De nadere toelichting die zijn gemachtigde in de zienswijze heeft gegeven, neemt niet weg dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser tijdens het asielgehoor geen overtuigende verklaringen heeft afgelegd.
Niet inzichtelijk waarom eisers zus zijn homoseksualiteit niet zal accepteren en hoe het is om zijn homoseksualiteit te verbergen voor zijn zus
10.5.
De rechtbank is van oordeel dat de minister eiser mocht tegenwerpen dat hij onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom zijn zus hem niet zal accepteren. Eiser heeft immers verklaard dat hij een goede band met haar heeft [15] en dat hij juist voor haar naar Nederland is gekomen. [16] Tegen die achtergrond is zijn verklaring dat zij hem niet zal accepteren “omdat hij haar kent” [17] weinig concreet. De latere toelichting dat de vijandigheid van zijn zus tegen homoseksualiteit maatschappelijk zou zijn ingegeven, heeft de minister niet tot een ander standpunt hoeven brengen. Daarbij is ook van belang dat de zus van eiser Guinee is ontvlucht en al sinds 2010 in Nederland woont.
Daarnaast heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser weinig inzicht geeft in hoe het voor hem is om zijn homoseksualiteit voor zijn zus verborgen te houden. Zijn zus is het enige familielid dat hij nog heeft en volgens eiser durft hij het haar niet te vertellen. Over wat dit met hem doet blijft eiser echter oppervlakkig. Hij verklaart slechts dat het voor hem “niet fijn” is. [18] Hoewel de gehoorambtenaar hierop heeft doorgevraagd, heeft eiser zijn antwoorden onvoldoende persoonlijk gemaakt. Zo heeft hij op de vraag of hij overweegt het haar te vertellen geantwoord dat hij daar op dit moment niet over nadenkt. Dat had wel van eiser verwacht mogen worden, juist omdat zijn zus centraal staat in zijn asielrelaas. Dit alles klemt te meer nu uit eisers verklaringen blijkt dat hij bij terugkeer naar Guinee vreest voor zijn leven, waaruit afgeleid kan worden dat hij daar niet in staat zal zijn om zijn homoseksualiteit verborgen te houden. Eiser had gelet daarop duidelijker moeten maken waarom hij in Nederland wel in staat is om zijn homoseksualiteit verborgen te houden en wat dat met hem doet.
Kennis van LHBTI-situatie
10.6.
De minister heeft ook bij zijn beoordeling mogen betrekken dat eiser weinig kennis heeft van de LHBTI-gemeenschap. Eiser heeft over de LHBTI-situatie in Mali enkel verklaard dat homoseksualiteit in Mali verboden is en dat hier verschillende straffen voor worden opgelegd, zoals een gevangenisstraf en de doodstraf. [19] Eiser heeft (zonder een verklaring te geven) ook geen onderzoek gedaan naar de homoseksuele gemeenschap in Mali, terwijl hij in Mali achter zijn homoseksualiteit is gekomen. [20] Ook wat betreft Guinee weet eiser weinig te vertellen over de LHBTI-situatie. De minister stelt terecht dat van eiser mag worden verwacht dat hij meer zou kunnen vertellen, omdat hij om zijn homoseksualiteit vreest voor terugkeer naar dit land. Tot slot stelt de minister niet ten onrechte dat eisers kennis over de LHBTI-situatie in Nederland ook beperkt is, terwijl hij al zes jaar hier verblijft. Dat eiser jong is en dat hij in Mali in angst leefde heeft de minister geen toereikende verklaring hoeven vinden. Eiser woont in Nederland en is inmiddels al langere tijd meerderjarig, zodat de minister heeft mogen verwachten dat hij zich meer verdiept in de LHBTI-situatie is in Nederland of in het land waarnaar hij mogelijk moet terugkeren.
Conclusies littekens in het iMMO-rapport
11. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met de conclusies in het iMMO-rapport over zijn littekens. Deze bevestigen volgens eiser zijn verklaringen over de mishandelingen vanwege zijn homoseksualiteit.
11.1.
Wanneer een medisch rapport, zoals een iMMO-rapport, sterke aanwijzingen bevat dat het letsel van een betrokkene is veroorzaakt door de gestelde onmenselijke behandeling, moet de minister dat serieus nemen. Mocht de minister de gestelde onmenselijke behandeling, ondanks dit rapport, toch niet aannemelijk achten, dan is het aan de minister om de twijfel weg te nemen over de oorzaak van het letsel. [21] Dit kan verplichten tot nader medisch onderzoek. Bij de beoordeling of die verplichting bestaat, zijn onder meer van belang de consistentie en concreetheid van de verklaringen van de betrokkene over het deel van het asielrelaas dat hij met het iMMO-rapport heeft willen staven. Daarnaast moet de minister nagaan in hoeverre dat deel van het asielrelaas past in betrouwbare algemene informatie over het land van herkomst en hoe sterk de kwalificatie in het iMMO-rapport is.
11.2.
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen aanleiding bestond voor nader onderzoek. Hoewel uit het iMMO-rapport volgt dat eiser op 33 plaatsen op zijn lichaam littekens heeft, blijkt uit de omschrijvingen onder de kopjes met de tekst ‘toeschrijving’ dat deze littekens niet allemaal verband houden met het deel van het asielrelaas dat ziet op zijn gestelde seksuele geaardheid. Een deel van de littekens houdt verband met gebeurtenissen die eiser in zijn eerste asielprocedure naar voren heeft gebracht, namelijk mishandelingen door de families bij wie hij heeft verbleven. [22] Verder stelt de minister zich terecht op het standpunt dat de conclusie in onderdeel A van het iMMO-rapport – dat de medische problematiek van eiser ‘zeer consistent’ is met het door hem gestelde ondergane geweld in Mali – niet uitsluit dat de vastgestelde littekens en lichamelijke en psychische klachten een andere oorzaak kunnen hebben. Die kwalificatie betekent niet dat de gestelde mishandelingen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden door de door eiser genoemde personen en onder de door hem geschetste omstandigheden. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat eiser niet consistent heeft verklaard over de oorzaak van een van zijn littekens. Zo heeft hij tegenover het iMMO verklaard dat het litteken op zijn linkervoet is ontstaan doordat mannen uit de groep die hem aanviel opzettelijk heet theewater, dat op straat werd gekookt, naar hem gooiden toen hij met [persoon A] voorbij liep. In het nader gehoor in zijn eerdere asielprocedure heeft hij echter verklaard dat dit litteken is ontstaan doordat de vrouw bij wie hij in Mali verbleef heet water op zijn been gooide. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

12. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, voorzitter, en mr. W. Loof en mr. B. Koopman, leden, in aanwezigheid van mr. R. Barzilay, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
3.NL21.12132, niet gepubliceerd.
4.202203284/1/V2.
5.NL24.25850.
6.Dit blijkt uit de reactie van het iMMO van 26 mei 2025 op de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025 en de leeswijzer.
7.Gehoor aanmeldfase, p. 5.
8.Eerste gehoor, p. 3.
9.De eerste asielaanvraag dateert van 8 oktober 2018 en eiser heeft op 10 maart 2022 voor het eerst (schriftelijk) naar voren gebracht dat hij homoseksueel is.
10.Dit staat in het door eiser genoemde arrest ABC van 2 december 2014, ECLI:EU:C:2014:2406, onder 69.
11.Artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn. Zie ook ABRvS 8 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2170, onder 5.
12.Zie gehoor opvolgende aanvraag, p. 25.
13.Gehoor opvolgende aanvraag, p. 14 en 17.
14.Gehoor opvolgende aanvraag, p. 19.
15.Eerste gehoor, p. 7.
16.Aanmeldgehoor, p. 7.
17.Gehoor opvolgende aanvraag, p. 21.
18.Gehoor opvolgende aanvraag, p. 22.
19.Gehoor opvolgende aanvraag, p. 7.
20.Gehoor opvolgende aanvraag, p. 23.
21.ABRvS 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2086.
22.Littekens 7, 8, 9, 12, 13, 14, 19, 23, 24 en 28.