Eiser, een ondernemer die ansichtkaarten en brochures verkoopt via huis-aan-huisverkoop, betwistte de tijdigheid van een naheffingsaanslag omzetbelasting (OB) over 2018 en maakte bezwaar tegen aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en Zorgverzekeringswet (Zvw) over 2019.
De rechtbank stelde vast dat de naheffingsaanslag OB tijdig was opgelegd, omdat verweerder aannemelijk had gemaakt dat de aanslag op 21 december 2023 ter postbezorging was aangeboden, terwijl de dagtekening van de aanslag 28 december 2023 was. Hierdoor viel de oplegging binnen de wettelijke termijn van vijf jaar.
Ten aanzien van de aanslag IB/PVV 2019 bereikten partijen een compromis waarbij de correctie op het belastbaar inkomen werd gehalveerd tot € 17.500. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de naheffingsaanslag OB ongegrond, maar het beroep tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw gegrond en droeg verweerder op de aanslagen aan te passen conform het compromis.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de helft van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 1.600, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht.