ECLI:NL:RBDHA:2026:9213

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
NL26.14506
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000Art. 4 EU HandvestArt. 19 lid 2 EU Handvest
Verwijzingen
288 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing maatregel bewaring wegens onvoldoende motivering non-refoulement

De rechtbank Den Haag behandelde op 25 maart 2026 het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring die op 14 maart 2026 door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd. De maatregel was gebaseerd op artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat de maatregel onrechtmatig was omdat niet voldoende was gemotiveerd dat het non-refoulementbeginsel zich niet tegen zijn uitzetting verzet.

De rechtbank overwoog dat volgens recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het Hof van Justitie van de EU de bewaringsrechter ambtshalve moet toetsen of er zicht is op uitzetting en of het non-refoulementbeginsel zich tegen uitzetting verzet. De maatregel van bewaring moet dit voldoende kenbaar en gemotiveerd bevatten.

In deze zaak ontbrak een uitdrukkelijke motivering dat het non-refoulementbeginsel niet aan uitzetting in de weg staat. Ook kon dit niet worden afgeleid uit de bewoordingen van de maatregel. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep gegrond, beval de opheffing van de bewaring met onmiddellijke vrijlating van eiser en kende een schadevergoeding toe van €1.560,- voor de onrechtmatige vrijheidsontneming.

Daarnaast veroordeelde de rechtbank de Staat tot betaling van de proceskosten van €1.868,-. De uitspraak is openbaar en kan binnen een week worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de maatregel van bewaring wordt opgeheven en eiser wordt onmiddellijk vrijgelaten met toekenning van schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.14506

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. G.A. Dorsman),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Juriaans).

Procesverloop

Bij besluit van 14 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Ambtshalve toets non-refoulement
1. De rechtbank overweegt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in de uitspraak van 12 februari 2026 [1] heeft overwogen dat het voldoen aan het vereiste voor een rechtmatige bewaring dat er zicht op uitzetting bestaat, naar nationaal recht een kwestie van openbare orde is. Om die reden rust op de bewaringsrechter de verplichting om ambtshalve aan dat vereiste te toetsen. [2] Als verweerder zijn standpunt in de maatregel van bewaring dat het beginsel van non-refoulement zich niet tegen de uitzetting van een vreemdeling verzet, niet of niet deugdelijk heeft gemotiveerd, moet de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring gegrond verklaren en de bewaring opheffen. Omdat zicht op uitzetting een onder punt 77 van het arrest van het Hof van 8 november 2022, C, B en X, ECLI:EU:C:2022:858, bedoelde algemene en abstracte regel is, vereist voor de rechtmatigheid van een maatregel van bewaring, moet een vreemdeling volgens punt 79 van dat arrest onmiddellijk worden vrijgelaten. [3]
2. Uit voornoemde uitspraak van de Afdeling volgt dat in de maatregel van bewaring voldoende kenbaar moet zijn gemotiveerd dat het beginsel van non-refoulement zich niet tegen de uitzetting verzet. De rechtbank leidt uit deze uitspraak af dat ook als niet uitdrukkelijk in de maatregel is gemotiveerd dat er geen zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat betrokkene in het land van bestemming een reëel risico zal lopen op de door artikel 4 en Pro artikel 19, tweede lid, van het EU Handvest verboden behandelingen, op grond van de bewoordingen van de motivering, waarin wordt verwezen naar het gehoor, kan worden aangenomen dat deze beoordeling hierin besloten ligt en op deze wijze voldoende kenbaar is. Uit deze uitspraak volgt dat in dat geval verweerder in de maatregel van bewaring heeft geconcludeerd dat de betrokkene in bewaring kan worden gesteld, gelet op de feiten en omstandigheden, de informatie van de Dienst Terugkeer en Vertrek en het gehoor voorafgaand aan de bewaring. [4]
3. De rechtbank overweegt dat verweerder in de maatregel van bewaring van 14 maart 2026 niet uitdrukkelijk heeft gemotiveerd dat het beginsel van non-refoulement zich niet tegen de uitzetting van eiser verzet. De rechtbank wijst in dat kader nog op dat uit de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026 volgt dat verweerder had kunnen volstaan met de enkele overweging dat niet is gebleken dat het beginsel van non-refoulement zich tegen uitzetting verzet. [5] Ook dit is niet opgenomen in de maatregel. De rechtbank is van oordeel dat ook niet op grond van de bewoordingen van de motivering van de maatregel kan worden aangenomen dat de beoordeling van het beginsel van non-refoulement hierin ligt besloten en op deze wijze voldoende kenbaar is.
4. Gezien wat hiervoor is overwogen kan de rechtbank niet anders dan het beroep tegen de maatregel van bewaring gegrond verklaren, beveelt zij de opheffing van de bewaring en gelast zij de onmiddellijke vrijlating van eiser.
5. Het beroep is reeds hierom gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. Daarom is een verdere beoordeling van de (maatregel van) bewaring en de overige gronden van beroep niet nodig.
6. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 12 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 3 x € 160,- (verblijf politiecel) en 9 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.560,-.
7. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 25 maart 2026.
8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 25 maart 2026;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.560,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

2.Rechtsoverweging 8.3.
3.Rechtsoverweging 10.
4.Rechtsoverweging 15.1.
5.Rechtsoverweging 7.4