ECLI:NL:RBDHA:2026:9219

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
NL26.11871
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000Art. 96, derde lid, Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
278 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortduren maatregel bewaring en zicht op uitzetting Nigeriaanse vreemdeling

De minister van Asiel en Migratie legde op 25 april 2025 aan eiser, een Nigeriaanse vreemdeling, de maatregel van bewaring op. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank toetste de rechtmatigheid van het voortduren van de bewaring vanaf het moment van het sluiten van het eerdere onderzoek waarop een uitspraak van 28 januari 2026 was gebaseerd.

Eiser voerde aan dat er geen zicht op uitzetting was omdat de Nigeriaanse autoriteiten zijn nationaliteit niet bevestigden en geen laissez passer afgaven, en dat de minister onvoldoende voortvarend handelde. De rechtbank oordeelde dat de minister op 19 februari 2026 rappelleerde bij de Nigeriaanse autoriteiten en dat geen specifieke omstandigheden bestonden die rappelleren op dossierniveau vereisten. Eiser weigerde een vertrekgesprek, wat meeweegt in de belangenafweging.

De rechtbank concludeerde dat de minister een verzwaarde belangenafweging had gemaakt waarbij de duur van de bewaring werd afgewogen tegen de houding van eiser, die onvoldoende meewerkte aan zijn uitzetting. Er waren geen bijzondere omstandigheden die het voortduren van de bewaring disproportioneel maakten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.11871
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. E. Schoneveld),

en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. G. Cambier).

Procesverloop

De minister heeft op 25 april 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1992.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 28 januari 2026 (in de zaak NL26.3017) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser voert aan dat er geen zicht op uitzetting is en dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. De Nigeriaanse autoriteiten hebben na tien maanden eisers nationaliteit niet bevestigd. Deze autoriteiten hebben evenmin een laissez passer (lp) afgegeven. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister op dossierniveau dient te rappelleren bij de Nigeriaanse autoriteiten. Tot slot is eiser van mening dat zijn belang bij invrijheidsstelling dient te prevaleren.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
Zicht op uitzetting en het voortvarendheidsvereiste
6. Voor wat betreft het zicht op uitzetting naar Nigeria verwijst de rechtbank naar haar eerdere uitspraak van 28 januari 2026 (in de zaak NL26.3017), rechtsoverweging 5. Daaraan voegt de rechtbank toe dat de minister op 19 februari 2026 heeft gerappelleerd bij de Nigeriaanse autoriteiten met betrekking tot de afgifte van een lp. De rechtbank overweegt dat geen specifieke omstandigheden zijn gesteld of gebleken die de minister nopen om op dossierniveau te rappelleren. Het is in dit verband in hoge mate aan de Nigeriaanse autoriteiten en aan de minister om te bepalen hoe het diplomatieke verkeer vorm wordt gegeven. In wat eiser nu heeft aangevoerd ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding voor een ander oordeel. Uit de voortgangsgegevens blijkt verder dat de minister op 13 februari 2026 getracht heeft een vertrekgesprek te voeren met eiser. Uit het schriftelijk verslag blijkt dat eiser heeft geweigerd het gesprek te voeren. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat zicht op uitzetting naar Nigeria ontbreekt of dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. Deze beroepsgronden slagen daarom niet.

Belangenafweging

7. De rechtbank stelt vast dat uit de voortgangsgegevens volgt dat de minister op 19 februari 2026 een belangenafweging heeft gemaakt. Uit de inhoud van de gemaakte afweging blijkt dat de minister de duur van de bewaring afweegt tegen de houding van eiser en daarbij meeweegt dat en waarom de lange duur in belangrijke mate aan eiser is toe te rekenen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister hiermee dan ook
een verzwaarde belangenafweging gemaakt en rechtvaardigen de door de minister opgenoemde omstandigheden het voortduren van de bewaring. Hoewel op eiser de verplichting rust om zijn volledige en actieve medewerking te verlenen, heeft hij tot nu toe immers nog geen enkele aantoonbare actie ondernomen om zijn uitzetting te bespoedigen terwijl tijdens meerdere vertrekgesprekken hem is verteld wat hij kan doen om het proces te bespoedigen. De rechtbank wijst in dit verband ook naar haar eerdere uitspraak van 28 januari 2026 (in de zaak NL26.3017), rechtsoverweging 6. Over wat eiser verder in het kader van de belangenafweging aanvoert, ziet de rechtbank geen feiten of omstandigheden die, gelet de duur van deze bewaring, de minister aanleiding hadden moeten zijn de bewaring bij een afweging van de belangen op te heffen. Eiser heeft verder geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht die maken dat de voortduring van de maatregel thans disproportioneel moet worden geacht. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.
Ambtshalve toetsing
8. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van N. Dayerizadeh, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
17 maart 2026

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.