ECLI:NL:RBDHA:2026:9220

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
NL26.11955
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
Verwijzingen
278 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenzaak

De minister van Asiel en Migratie heeft op 5 februari 2026 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser, van Algerijnse nationaliteit, stelde dat de minister onvoldoende voortvarend handelde bij de uitzetting, ondanks bevestiging van zijn nationaliteit en het ontbreken van een laissez passer.

De rechtbank heeft het beroep beoordeeld, waarbij zij het voortduren van de maatregel slechts toetste vanaf het sluiten van het eerdere onderzoek. De rechtbank constateerde dat de minister maandelijks rappelleerde bij de Algerijnse autoriteiten, een vertrekgesprek voerde en een vlucht regelde. Hoewel eiser niet persoonlijk verscheen bij een presentatie in Algerije, bevestigden de autoriteiten zijn nationaliteit en hun bereidheid tot het verstrekken van een laissez passer.

De rechtbank benadrukte de rechtsplicht van eiser om mee te werken aan zijn uitzetting en vond geen aanwijzingen dat de minister onvoldoende voortvarend was. Ook ambtshalve toetsing wees uit dat de maatregel tot het sluiten van het onderzoek rechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26. l l955
Rectificatie d.d. 17.03.2026 p. 1 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] ,V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. T. Bruinsma),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: K. Kanters).

Procesverloop

De minister heeft op
5 februari 2026aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1996.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 20 februari 2026 (in de zaak NL26.6641) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die
uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. Ondanks het feit dat het onderzoek bij de Algerijnse autoriteiten ruim tien maanden loopt en eisers nationaliteit op 3 juni 2025 is bevestigd is er tot op heden geen laissez passer (lp) afgegeven. De minister dient op dossierniveau te rappelleren, aldus eiser.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
Het voortvarendheidsvereiste
6. Op 4 maart 2026 stond een presentatie in persoon gepland bij de Algerijnse autoriteiten ten behoeve van eiser. De minister heeft de rechtbank bericht dat eiser niet is verschenen op voornoemde presentatie, maar dat de Algerijnse autoriteiten wel de nationaliteit van eiser hebben bevestigd en te kennen hebben gegeven bereid te zijn een lp te zullen verstrekken. Gelet daarop heeft de minister op 6 maart 2026 een vlucht aangevraagd ten behoeve van eisers uitzetting. De rechtbank overweegt dat geen specifieke omstandigheden zijn gesteld of gebleken die de minister ertoe hadden moeten nopen om op dossierniveau te rappelleren. Het is in dit verband in hoge mate aan de Algerijnse autoriteiten en aan de minister om te bepalen hoe het diplomatieke verkeer vonn wordt gegeven. De minister heeft naast het vorenstaande op 27 februari 2026 een vertrekgesprek gevoerd met eiser en maandelijks gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten. De rechtbank benadrukt dat op eiser de rechtsplicht rust om Nederland te verlaten. Deze plicht brengt onder meer mee dat hij actieve en volledige medewerking aan zijn uitzetting dient te verlenen. Op dit moment is niet gebleken dat eiser die medewerking verleent. Gelet op voornoemde uitzettingshandelingen ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Ambtshalve toetsing
7. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van N. Dayerizadeh, griffier.
rechter
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 17 maart 2026

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.