Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9235

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
NL26.19085
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 5.1b Vb 2000Art. 4 EU HandvestArt. 19, tweede lid, EU Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel bewaring vreemdeling wegens risico op onttrekking toezicht ongegrond verklaard

De minister heeft op 2 april 2026 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 14 april 2026.

De minister baseerde de maatregel op zware gronden zoals het niet op voorgeschreven wijze binnenkomen, het gebruik van valse documenten en onvoldoende medewerking aan vaststelling identiteit. Eiser betwistte deze gronden, maar de rechtbank oordeelde dat de zware gronden feitelijk juist zijn en voldoende risico op onttrekking aan toezicht en belemmering van uitzetting rechtvaardigen.

Eiser voerde aan dat de minister onvoldoende had onderzocht of uitzetting naar Guinee-Bissau in strijd is met het non-refoulementbeginsel, verwijzend naar het arrest Adrar. De rechtbank concludeerde dat op basis van verklaringen van eiser en de motivering in het besluit geen reëel risico op schending van dit beginsel bestaat.

De rechtbank vond geen reden om de rechtmatigheid van de maatregel te betwijfelen en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.19085

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. S.J. Koolen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. A.N. Sap).

Procesverloop

Bij besluit van 2 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 14 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3g. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2. Eiser heeft alle gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd betwist. De minister heeft de tegenwerping van de zware grond 3a onvoldoende gemotiveerd. Er is namelijk geen voorwaarde voor binnenkomst benoemd in de maatregel waaruit blijkt dat eiser daar niet aan heeft voldaan. Verder voert eiser aan dat grond 3b in combinatie met 4a niet kan worden tegengeworpen. Dat eiser zich niet heeft gemeld is in strijd met de grond dat hij zich zou hebben onttrokken. Met betrekking tot de grond 3d voert eiser aan dat zijn identiteit kon worden vastgesteld zoals blijkt uit het proces-verbaal van ophouding. Verder is eiser van mening dat de minister de tegenwerping van grond 3g onvoldoende heeft gemotiveerd. Tot slot is eiser van mening dat de lichte gronden onvoldoende zijn om aan de maatregel ten grondslag te leggen omdat deze altijd van toepassing zijn bij vreemdelingen.
3. De rechtbank is van oordeel dat de zware gronden 3a en 3d feitelijk juist zijn. Eiser heeft geen identificerende documenten. Eiser heeft verklaard dat zijn paspoort in Portugal ligt en dat hij een kopie daarvan heeft. Verder heeft eiser in zijn gehoor verklaard dat hij met een vals document naar Nederland is gekomen. Daarnaast heeft eiser gebruik gemaakt van het valse document, omdat hij heeft geprobeerd om zich in te schrijven bij de Basisregistratie Personen [1] met dat valse document. Verder is niet gebleken dat eiser heeft geprobeerd om zijn paspoort naar Nederland te halen. Uit rechtspraak volgt dat de identiteit die is overgenomen op basis van de strafrechtelijke aanhouding niet met zich brengt dat die identiteit in het vervolg als vaststaand moet worden beschouwd. De zware gronden 3a en 3d kunnen, in samenhang bezien en gelet op de gegeven toelichting, de maatregel van bewaring al dragen, omdat daaruit een significant risico voortvloeit dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Wat eiser heeft aangevoerd tegen de andere bewaringsgronden, behoeft daarom geen bespreking.
Het arrest Adrar [2]
4. Eiser heeft – tot slot – aangevoerd dat de minister onvoldoende kenbaar en deugdelijk heeft onderzocht en gemotiveerd of uitzetting naar Guinee-Bissau in strijd is met het beginsel van non-refoulement. Eiser heeft in dat verband gewezen op het arrest Adrar. Volgens eiser heeft de minister ten onrechte in de maatregel niet meegenomen dat eiser een lange periode in Europa heeft verbleven, familie heeft in Europa en een bedrijf heeft in Portugal.
4.1.
De rechtbank oordeelt als volgt. Uit het proces-verbaal van verhoor van 10 november 2025 blijkt dat eiser heeft verklaard dat hij drie keer naar Guinee-Bissau is geweest om zijn familie te bezoeken, laatstelijk in 2024. Verder is in dat gehoor ook gevraagd naar de familie van eiser in Denemarken. Eiser heeft daarin verklaard niet verder te willen praten over zijn familie dan wel kinderen. De minister heeft in de maatregel opgenomen dat hieruit niet is gebleken dat eiser te vrezen heeft bij terugkeer naar Guinee-Bissau door de autoriteiten daar. Verder heeft eiser in het vertrekgesprek van 8 april 2026 verklaard dat hij niet terug wil keren naar Guinee-Bissau, omdat hij daar niks heeft. Hieruit blijkt niet dat er sprake is van een risico op schending van het beginsel van non-refoulement. De rechtbank merkt daarbij op dat hoewel niet uitdrukkelijk in de maatregel is gemotiveerd dat er geen zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat eiser in het land van bestemming een reëel risico loopt op de door artikel 4 en Pro artikel 19, tweede lid, van het EU Handvest verboden behandelingen, op grond van de bewoordingen van de motivering waarin ook wordt verwezen naar de verklaringen van eiser in het gehoor, kan worden aangenomen dat deze beoordeling hierin besloten ligt en op deze wijze voldoende kenbaar is. [3]
Ambtshalve toetsing
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [4]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van
mr.B. Göbel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.In de maatregel wordt de oude aanduiding, Gemeentelijke Basisadministratie, nog gebruikt,
2.HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647
3.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1647.
4.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).