Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9304

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
NL25.40683
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 Visumcode
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens motiveringsgebrek en schending hoorplicht

Eisers, Pakistaanse nationaliteit, vroegen een visum voor kort verblijf om hun zoon te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvragen af wegens onvoldoende sociale en economische binding en twijfel over tijdige terugkeer.

Eisers dienden het beroepschrift te laat in, maar de rechtbank oordeelde dat dit niet aan hen te wijten was omdat het besluit naar een oud adres van hun gemachtigde was gestuurd. Hierdoor werd het beroep ontvankelijk verklaard.

De rechtbank stelde vast dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met het feit dat eiseres eerder een Schengenvisum had gekregen en tijdig was teruggekeerd. Dit vormde een bewijsvermoeden voor tijdige terugkeer, dat niet gemotiveerd was weerlegd. Tevens werd de hoorplicht geschonden doordat eisers niet werden gehoord over de twijfels van verweerder.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.40683

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer 1] , eiser

[eiseres], V-nummer: [v-nummer 2] , eiseres
tezamen: eisers
(gemachtigde: mr. J. Singh),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. D. van Zwieten).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvragen voor een visum voor kort verblijf.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvragen met de besluiten van 14 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 26 mei 2025 op het bezwaar van eisers is verweerder bij de afwijzing van de aanvragen gebleven.
1.2.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, [referent] (referent), M. Amer als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] 1954. Eiseres is geboren op [geboortedatum 2] 1959. Eisers hebben de Pakistaanse nationaliteit. Referent is de zoon van eisers. Eisers hebben een aanvraag ingediend voor een visum voor kort verblijf om referent te bezoeken.
2.1.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eisers onvoldoende sociale en economische binding hebben met Pakistan, waardoor niet aannemelijk is gemaakt dat eisers tijdig zullen terugkeren. Ook hebben eisers het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet aannemelijk gemaakt.
2.2.
In het verweerschrift heeft verweerder aangegeven de weigeringsgrond dat het doel en de omstandigheden van het verblijf onvoldoende zijn aangetoond, te laten vallen.
Wat vinden eisers in beroep?
3. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit en voeren – kort samengevat – het volgende aan. Eisers betogen dat verweerder geen rekening heeft gehouden met de overgelegde stukken en de hoge leeftijd van eisers. Eisers hebben met stukken aangetoond dat zij aanzienlijke bedragen op hun bankrekening hebben staan. Van hen kan niet worden verlangd dat zij nog minderjarige kinderen hebben of economisch heel actief moeten zijn. Verder wordt het vestigingsgevaar ten onrechte betrokken bij de afwijzingsgrond over het doel van het beoogde verblijf en kan er geen twijfel bestaan over het doel van hun beoogde verblijf. Ten slotte had verweerder eisers moeten horen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Is het beroep ontvankelijk?
5. De rechtbank stelt vast dat eisers het beroepschrift te laat hebben ingediend. Eisers konden tot 23 juni 2025 een beroepschrift indienen, maar hebben pas op 26 augustus 2025 beroep ingediend tegen het bestreden besluit.
5.1.
De rechtbank beoordeelt daarom of het niet tijdig indienen van het beroepschrift door eisers verschoonbaar is. [1] Zoals blijkt uit het bestreden besluit en is bevestigd tijdens de zitting, is het bestreden besluit alleen verzonden naar het oude adres van de gemachtigde van eisers. De gemachtigde van eisers heeft verweerder op 12 augustus 2025 via de e-mail verzocht om de beslissing naar het juiste adres te versturen, omdat hij telefonisch van verweerder heeft vernomen dat er al een beslissing is genomen maar dat deze naar het oude adres is verzonden. Eisers hebben vervolgens op 26 augustus 2025 het beroepschrift ingediend. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat het niet tijdig indienen van het beroepschrift niet aan eisers kan worden toegerekend. De rechtbank is dan ook van oordeel dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eisers in verzuim zijn geweest. Het beroep is ontvankelijk.
Heeft verweerder op goede gronden geconcludeerd dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij tijdig zullen terugkeren?
6. Volgens vaste rechtspraak van het Europese Hof van Justitie [2] beschikt verweerder over een ruime beoordelingsmarge bij de beoordeling van de relevante feiten om te bepalen of één van de weigeringsgronden uit artikel 32, eerste lid, van de Visumcode van toepassing is. De rechter kan het besluit van verweerder hierover daarom slechts terughoudend toetsen. Uit die rechtspraak volgt ook dat verweerder bij de beoordeling of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager van een visum om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum, een individueel onderzoek van de visumaanvraag moet verrichten waarbij rekening wordt gehouden met de algemene situatie in het land waar de aanvrager woont en zijn persoonlijke omstandigheden. [3] Bij persoonlijke omstandigheden gaat het onder andere om het eventuele bestaan van eerdere legale of illegale verblijven in één van de lidstaten.
6.1.
Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eisers toegelicht dat eiseres al eerder een Schengenvisum heeft gekregen. Zij verbleef toen bij dezelfde referent en is voor het verstrijken van het visum teruggekeerd naar Pakistan. De rechtbank stelt vast dat verweerder dat niet heeft betwist en dat eiseres dat ook bij de aanvraag heeft vermeld. Verweerder heeft dit onvoldoende betrokken bij de beoordeling of eisers aannemelijk hebben gemaakt dat zij tijdig zullen terugkeren. Verweerder heeft dit namelijk niet betrokken bij de beoordeling van het bezwaar van eiseres en heeft tijdens de zitting alleen gesteld dat iedere aanvraag op zijn eigen merites beoordeeld moet worden. Dat eiseres eerder in het bezit is geweest van een Schengenvisum om referent te bezoeken en op tijd is teruggekeerd naar Pakistan moet gelden als een bewijsvermoeden dat ook bij deze aanvraag de terugkeer is gewaarborgd. Dit vermoeden kan worden ontkracht als blijkt dat sprake is van veranderde omstandigheden die als contra-indicatie kunnen dienen of in het geval de eerdere verlening gebaseerd is op een kennelijke misslag die verweerder niet hoeft te herhalen. Verweerder heeft dit in de besluitvorming niet gemotiveerd en daarom is er sprake van een motiveringsgebrek. De rechtbank merkt daarbij op dat het niet betrekken van het eerder verleende Schengenvisum en tijdige terugkeer van eiseres ook relevant is voor de aanvraag voor eiser, nu zij bij dezelfde referent willen verblijven.
6.2.
De rechtbank is ook van oordeel dat verweerder in dit geval niet kon afzien van het horen van eisers in bezwaar. De bij verweerder bestaande twijfel over de tijdige terugkeer leende zich gelet op de eerdere visumtoekenning bij uitstek voor een toelichting van eisers. Het stond daarmee evenmin buiten redelijke twijfel dat het bezwaar geen kans van slagen had. Hierbij is mede van belang dat het primaire besluit vanwege het werkproces in visumzaken niet voorzien is van een uitgebreide op de individuele omstandigheden toegesneden motivering.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd. Verweerder moet een nieuw besluit nemen op het bezwaar van eisers met inachtneming van deze uitspraak.
8. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1868,-. [4]
9. Ook bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 194,- moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 26 mei 2025;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eisers met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1868,-;
- bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 194,- moeten vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Met inachtneming van de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 20 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.
2.Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862, Koushkaki tegen Duitsland.
3.Arrest Koushkaki, punt 69.
4.1 punt voor het verschijnen op de zitting en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.