Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9306

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
NL26.16468
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 30 VwVerordening (EU) 604/2013Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen

Eiser, een Algerijnse asielzoeker, diende op 25 januari 2026 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. Uit Eurodac-gegevens bleek dat eiser in 2024 illegaal via Italië de EU binnenkwam en in april 2025 in Zwitserland een asielaanvraag deed.

Eiser voerde aan dat de opvangomstandigheden in Zwitserland slecht zijn, met een verhoogd risico op schendingen van mensenrechten, en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is. Hij verwees naar het AIDA-rapport 2025 om dit te onderbouwen. De rechtbank oordeelde echter dat deze verwijzing onvoldoende is om systeemfouten in Zwitserland aan te tonen. Er is geen bewijs van structurele tekortkomingen of onverschilligheid van Zwitserse autoriteiten.

De rechtbank benadrukte dat Zwitserland met het claimakkoord heeft gegarandeerd de aanvraag conform Europese richtlijnen te behandelen. Eiser kan klachten indienen bij Zwitserse instanties indien nodig. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat het besluit om de aanvraag niet in behandeling te nemen terecht is genomen.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.16468

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Awb [1] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2002 en de Algerijnse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 25 januari 2026 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. [2] In dit artikel is bepaald dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening [3] is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 4 december 2024 illegaal via Italië het grondgebied van de lidstaten is ingereisd en op 22 april 2025 in Zwitserland een asielaanvraag heeft ingediend. Om die reden heeft verweerder op 2 maart 2026 de Zwitserse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. De Zwitserse autoriteiten hebben dit verzoek op 4 maart 2026 aanvaard, waarmee de verantwoordelijkheid van Zwitserland vanaf die datum vaststaat.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Nu verweerder de informatie uit het in de zienswijze aangehaalde AIDA-rapport uit 2025 niet inhoudelijk betwist, mag worden uitgegaan van bijzonder slechte leefomstandigheden in de tijdelijke asielcentra. Deze omstandigheden leiden tot een leidt tot een verhoogd risico op geweldsuitbarstingen en schendingen van mensenrechten. Eiser loopt bij overdracht aan Zwitserland dan ook een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. [4] De problemen in de asielopvang zijn structureel, nu de Zwitserse autoriteiten geen of onvoldoende actie ondernemen. Onder deze omstandigheden is het op voorhand zinloos om bescherming te vragen of te klagen bij de Zwitserse autoriteiten.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat Zwitserland in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. In zijn algemeenheid mag verweerder ten aanzien van Zwitserland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling [5] heeft dit onder meer bevestigd in de uitspraken van 24 januari 2025 [6] en 10 oktober 2025. [7] Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
5. Eiser is hierin niet geslaagd. De enkele verwijzing van eiser naar het AIDA-rapport is onvoldoende om aan te nemen dat er ten aanzien van Zwitserland sprake is van systeemfouten in de asielprocedure of in de opvangvoorzieningen zoals bedoeld in het arrest Jawo. [8] Het AIDA-rapport geeft geen wezenlijk ander beeld van de opvangsituatie in Zwitserland dan uit eerdere rapporten volgt. Niet is gebleken dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang en dat de Zwitserse autoriteiten onverschillig staan tegenover deze problemen. Daarbij komt dat de Zwitserse autoriteiten met het claimakkoord hebben gegarandeerd dat ze eisers aanvraag in behandeling zullen nemen met inachtneming van de Europese richtlijnen. Het ligt op de weg van eiser om in Zwitserland te klagen bij de (hogere) autoriteiten of de daartoe geëigende instanties, als hij vindt dat Zwitserland zijn verplichtingen niet nakomt. Niet is gebleken dat dit voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of bij voorbaat zinloos is.
6. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 14 april 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid
van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde
publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de
rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het
verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is
verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten
zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Vreemdelingenwet 2000.
3.Verordening (EU) 604/2013.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
8.ECLI:EU:C:2019:218.