Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9338

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
NL25.49068
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 VwVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing asielaanvraag niet-ontvankelijk wegens vertrek met onbekende bestemming

Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel ingediend, welke door de minister is afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser stelde van Algerijnse nationaliteit te zijn en werd op 1 oktober 2025 negatief beslist. Vervolgens stelde eiser beroep in tegen deze afwijzing.

Tijdens de zitting op 9 april 2026 was eiser niet aanwezig en had zijn gemachtigde zich afgemeld. De minister overlegde een systeemmelding waaruit bleek dat eiser op 30 september 2025 met onbekende bestemming was vertrokken. De gemachtigde van eiser gaf aan geen contact meer met hem te hebben.

De rechtbank oordeelt dat eiser geen procesbelang meer heeft omdat hij kennelijk geen prijs meer stelt op de bescherming in Nederland, nu hij zonder mededeling is vertrokken. Hierdoor is het beroep niet-ontvankelijk verklaard en is de zaak niet inhoudelijk beoordeeld. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard wegens vertrek met onbekende bestemming.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.49068

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. J. Oosterhof),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. L. Maring).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is. Omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken heeft hij geen belang meer bij een beoordeling van zijn beroep. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op
[geboortedatum] 2007. De minister heeft met het bestreden besluit van 1 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep [2] , op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. De gemachtigde van eiser heeft zich afgemeld voor de zitting. Eiser is niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft eiser procesbelang?
3. De rechtbank beantwoordt allereerst ambtshalve de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep.
3.1.
De minister heeft op 2 april 2026 een afschrift uit zijn systeem overgelegd waarin staat dat eiser volgens een melding van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers op
30 september 2025 met onbekende bestemming is vertrokken.
3.2.
Op 3 april 2026 heeft de gemachtigde van eiser laten weten geen contact meer te hebben met eiser.
3.3.
Uit vaste rechtspraak volgt dat, als de vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van moet worden uitgegaan dat hij kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. [3] Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming.
3.4.
Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden neemt de rechtbank aan dat, nu eiser met onbekende bestemming is vertrokken, hij geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen belang meer bij een beoordeling van zijn beroep.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Korporaal-Wisman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000
2.Zaak NL25.49069
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662