Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9364

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
24/2269
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar tegen energietoeslag 2022 te laat ingediend, beroep ongegrond verklaard

Eiser diende bezwaar in tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor de energietoeslag 2022, maar dit bezwaar werd door verweerder niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat was ingediend. De rechtbank toetste of deze niet-ontvankelijkverklaring terecht was.

De rechtbank overwoog dat de bezwaartermijn zes weken bedraagt en dat bij overschrijding het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard moet worden, tenzij de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Eiser stelde dat zijn ziekte en de toekenning van de energietoeslag 2023 reden waren om de termijnoverschrijding te verontschuldigen.

De rechtbank oordeelde dat de ziekte van eiser zich voordeed ná de bezwaartermijn en daarom niet als verschoonbare reden kan gelden. Ook de toekenning van de toeslag over 2023 rechtvaardigt geen latere indiening van bezwaar tegen het besluit van 2022. Daarom is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard en is het beroep ongegrond.

De rechtbank handhaaft het bestreden besluit en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter M. van Paridon op 11 maart 2026.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de afwijzing van de energietoeslag 2022 is terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding, en het beroep is ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/2269

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: A. Sawaf),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. L.J. van der Zwart).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser naar aanleiding van het bestreden besluit van verweerder van 4 maart 2024.
1.1.
Verweerder heeft met het primaire besluit van 17 januari 2024 de aanvraag van eiser voor de energietoeslag 2023 toegewezen en € 800,- toegekend. Eiser heeft bezwaar ingesteld naar aanleiding van dit besluit. Met het bestreden besluit van 4 maart 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank overweegt allereerst dat in beginsel enkel ter beoordeling ligt of het bezwaarschrift van eiser terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
2.1.
Verweerder heeft het bezwaar tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaar inhoudelijk was gericht tegen een eerder besluit, namelijk het besluit van 13 juli 2022 en daartegen niet tijdig was ingediend.
2.2.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het bezwaar te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. Verweerder heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Daarom is het beroep ongegrond. De rechtbank licht dat hierna toe.
Toetsingskader
2.3.
Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. [1]
2.4.
Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [2] Van belang hierbij is dat het hier om een gebonden bevoegdheid gaat. Als eenmaal is vastgesteld dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend en vervolgens wordt geoordeeld dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, moet het rechtsmiddel niet-ontvankelijk worden verklaard. Een belangenafweging is niet mogelijk. Dat betekent onder meer dat de belangen die met het materiële geschil zijn gemoeid, bij de beoordeling niet relevant zijn. [3]
3. De bezwaren van eiser zijn, zoals ter zitting is gebleken, gericht tegen de beslissing van verweerder van 13 juli 2022 waarbij eisers aanvraag om energietoeslag 2022 is afgewezen.
4. Niet in geschil is dat eiser te laat bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 13 juli 2022.
Is het te laat indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar?
5. Volgens eiser is het hem pas door het bestreden besluit duidelijk geworden dat de afwijzing van de energietoeslag 2022 onjuist was. Eiser is van mening dat zijn omstandigheden bij de aanvragen over 2022 en over 2023 hetzelfde waren. Ook is hij ziek geweest in de periode na het besluit van 13 juli 2022. De termijnoverschrijding is dan ook verschoonbaar, aldus eiser.
5.1.
Over zijn ziekte(n) heeft eiser ter zitting toegelicht dat hij corona heeft gehad, een longoperatie heeft ondergaan in september 2023 en heeft moeten revalideren in een revalidatiecentrum. Dit was in de periode mei 2023 tot ongeveer februari 2024.
5.1.1.
Deze periode beslaat de periode ná het verstrijken van de bezwaartermijn en daarom geldt ziekte in dit geval niet als reden voor het te laat indienen van het bezwaarschrift.
5.2.
Dat de aanvraag over 2023, anders dan die over 2022, is toegewezen maakt niet dat eiser verhinderd was om bezwaar te maken binnen de termijn van zes weken tegen het besluit van 13 juli 2022. De toewijzing over 2023 is dan ook geen reden om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.

Conclusie en gevolgen

6. Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Paridon, rechter, in aanwezigheid van
mr.E.P.A. Stok, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 6:7
De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken.
Artikel 6:11
Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:7 van Pro de Awb.
2.Dit volgt uit artikel 6:11 van Pro de Awb.
3.Zie de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.