Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9381

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
23/6500 en 23/7388
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn bestuursrechtelijke procedure

De rechtbank Den Haag behandelde op 17 november 2025 de beroepen van eiser tegen het college van burgemeester en wethouders van Den Haag en de Staat der Nederlanden. Partijen bereikten ter zitting een schikking waarbij eiser de beroepen introk, maar de rechtbank besloot op het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Eiser stelde dat de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan de toegestane twee jaar hadden geduurd, in strijd met artikel 6 EVRM Pro. De rechtbank stelde vast dat de termijn was begonnen op 15 december 2022 en eindigde op 15 december 2024, maar dat de procedure feitelijk met 12 maanden was overschreden. De vergoeding werd berekend op €500 per half jaar overschrijding, wat resulteerde in een totaal van €1.000.

De rechtbank verdeelde de aansprakelijkheid voor de overschrijding: zes maanden waren toe te rekenen aan de bezwaarfase (de Staat) en zes maanden aan de beroepsfase (de gemeente). Daarom werd zowel de Staat als de gemeente veroordeeld tot elk €500 schadevergoeding. Omdat de twee zaken samenhingen, werd slechts één vergoeding toegekend. Proceskosten werden niet toegewezen omdat hier niet om was verzocht.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt zowel de gemeente Den Haag als de Staat tot elk €500 schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/6500 en 23/7388

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser],
in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van zijn minderjarige zoon [minderjarige], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. R.M. Noorlander),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. C. Mauricio de Oliveira),
en

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Procesverloop

1. De rechtbank heeft de beroepen op 17 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, en de gemachtigde van verweerder bijgestaan door [naam].

Overwegingen

2. Ter zitting hebben partijen een schikking bereikt. Daarbij heeft eiser de beroepen ingetrokken, alsmede het beroep met zaaknummer 23/7416. Zoals ter zitting besproken beslist de rechtbank op het verzoek van eiser om veroordeling tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
3. Eiser heeft verzocht om schadevergoeding, omdat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. Naar vaste rechtspraak geldt het uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase samen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren, behoudens bijzondere omstandigheden. Uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding is een tarief van € 500,- per half jaar waarmee de termijn is overschreden, naar boven afgerond.

23/6500

4. De termijn is aangevangen op 15 december 2022, de datum waarop verweerder het bezwaarschrift van eiser tegen het primaire besluit van 4 november 2022 heeft ontvangen. De redelijke termijn eindigde derhalve op 15 december 2024. Dat betekent dat de redelijke termijn is overschreden met (naar boven afgerond) 12 maanden, van datum ontvangst van het bezwaarschrift tot aan de intrekking van het beroep. De rechtbank ziet noch in de zaak zelf noch in de opstelling van eiser aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan twee jaar zou mogen bedragen. Met de overschrijding van 12 maanden correspondeert een vergoeding voor immateriële schade van € 1.000,-.
4.1.
Van deze overschrijding is een periode van zes maanden toe te rekenen aan de bezwaarfase. Dit betekent dat een deel van de overschrijding van de redelijke termijn – zes maanden – voor rekening van de Staat komt en het resterende deel – eveneens zes maanden – voor rekening van verweerder. Hieruit volgt dat verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan eiser tot een bedrag van € 500,-. De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan eiser tot een bedrag van € 500,-.
23/7388
5. Indien sprake is van twee of meer zaken die qua feitencomplex en onderwerp van geschil een duidelijke samenhang vertonen, dienen deze wat de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn betreft, als één zaak te worden aangemerkt. [1] De rechtbank is van oordeel dat de twee beroepen (23/76500 en 23/7388) samenhangen met elkaar. Daarom bestaat er geen aanleiding om aan eiser voor de zaak 23/7388 naast de zaak 23/6500 apart schadevergoedingen toe te kennen.
6. De rechtbank ziet thans geen aanleiding om een proceskostenvergoeding toe te kennen nu gemachtigde hier niet om heeft verzocht.

Conclusie en gevolgen

7. Het verzoek wordt toegewezen.
8. Voor een vergoeding van de proceskosten bestaat geen aanleiding

Beslissing

De rechtbank:
-
veroordeelt verweerder tot het betalen van € 500,- aan schadevergoeding aan eiser;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 500,- aan schadevergoeding aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Paridon, rechter, in aanwezigheid van
mr.E.P.A. Stok, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:147 en van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.10.2.