Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
als rechtsopvolger van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,verweerder,
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Egyptische nationaliteit, diende een opvolgende asielaanvraag in die door verweerder niet-ontvankelijk werd verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser voerde diverse nieuwe elementen aan, waaronder de marteling van zijn broer door Egyptische veiligheidsdiensten, discriminatie van zijn partner in Egypte, en zijn medische situatie.
De rechtbank overwoog dat het eerdere besluit van 18 april 2015, waarin de asielaanvraag van eiser werd afgewezen, in rechte vaststaat. De nieuwe aangevoerde elementen werden niet als relevant of nieuw beoordeeld. De rechtbank verwierp ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro en het verzoek om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw Pro, omdat deze niet ambtshalve bij een opvolgende aanvraag worden beoordeeld.
Verder wees de rechtbank het verzoek af om het proces-verbaal van een eerdere zitting toe te zenden en het beroep aan te houden. De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard en verklaarde het beroep ongegrond, waardoor het bestreden besluit in stand blijft.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de opvolgende asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.