ECLI:NL:RBDHA:2026:9409
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaak wegens kennelijke ongegrondheid
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de verzoeker een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van 24 februari 2026, waarbij de minister van Asiel en Migratie de asielaanvraag niet in behandeling heeft genomen omdat Zwitserland daarvoor verantwoordelijk is.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening buiten zitting beoordeeld op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat de rechtbank op dezelfde dag uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak (zaaknummer AWB 26/3433), is de voorlopige voorziening niet meer noodzakelijk.
Daarom is het verzoek om een voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is beslist.