Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:947

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
24/1822
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 18.1 bestemmingsplanArt. 18.2.2 onder b bestemmingsplan
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing handhavingsverzoek wegens gebruik woning door meerdere huishoudens niet in strijd met bestemmingsplan

Eiseres verzocht het college handhavend op te treden tegen het gebruik van een woning door meerdere huishoudens en een vermeende illegale bouwkundige splitsing. Het college wees het verzoek af, stellende dat het gebruik door meerdere huishoudens niet strijdig is met het bestemmingsplan en dat de reikwijdte van het handhavingsverzoek niet na het primaire besluit kan worden uitgebreid.

De rechtbank bevestigt dat het verzoek om handhaving niet uitgebreid kan worden tot bouwkundige splitsing, omdat dit niet uit het oorspronkelijke verzoek blijkt. Verder oordeelt de rechtbank dat het bestemmingsplan het gebruik van een woning door meerdere huishoudens niet verbiedt, aangezien het begrip 'wonen' volgens algemeen spraakgebruik diverse vormen van huisvesting omvat.

De rechtbank concludeert dat het college op juiste gronden het handhavingsverzoek heeft afgewezen en verklaart het beroep ongegrond. Tevens wordt opgemerkt dat eiseres inmiddels niet meer in de woning woont, wat het procesbelang doet afnemen.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek wordt ongegrond verklaard en het verzoek blijft afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/1822

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

(gemachtigde: mr. W.M. Janse),
en

het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk

(gemachtigde: S. Verouden).
Als derde-partij doet aan het geding mee: [derde-partij] uit Noordwijkerhout.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een handhavingsverzoek van eiseres tegen overtredingen die volgens haar hebben plaatsgevonden in het huis van derde-partij, naast het hare. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van het handhavingsverzoek. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het handhavingsverzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college op juiste gronden het handhavingsverzoek heeft afgewezen. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het primaire besluit van 16 augustus 2023 heeft het college het handhavingsverzoek van eiseres afgewezen.
2.1.
Met het bestreden besluit van 9 februari 2024 heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld. Het college heeft gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2025 op zitting behandeld. Ter zitting zijn verschenen: de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van het college en de derde-partij.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Op 12 mei 2023 heeft de gemachtigde van eiseres een handhavingsverzoek ingediend bij het college. Volgens dat verzoek wordt de woning aan de [adres] al langere tijd gebruikt in strijd met het bestemmingsplan. In de woning bevinden zich meerdere huishoudens en er is sprake van geluidsoverlast en rommel. In het verzoek staat verder dat het op grond van het bestemmingsplan niet is toegestaan dat de woning door meer dan één huishouden wordt gebruikt of voor kamerverhuur beschikbaar wordt gesteld. Voor zover de woning is omgezet in twee onzelfstandige woonruimten, levert deze omzetting onttrekking van zelfstandige woonruimte aan de woningvoorraad op en zou een omzettingsvergunning nodig zijn. Eiseres verzoekt het college handhavend op te treden door een einde te maken aan de illegale bewoning.
3.1.
Naar aanleiding van het verzoek hebben op verschillende data en tijdstippen controles plaatsgevonden door een toezichthouder. De toezichthouder heeft zijn bevindingen vastgelegd in het rapport van 17 juli 2023. Hij heeft niet kunnen constateren dat de woning in strijd met het bestemmingsplan wordt gebruikt zoals gesteld in het handhavingsverzoek.
3.2.
Met het primaire besluit heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen. Vervolgens heeft eiseres bezwaar gemaakt.
3.3.
Op 9 januari 2024 heeft de toezichthouder een controle uitgevoerd aan het desbetreffende adres. Hier is onder andere geconstateerd dat op de begane grond een huurder woont en op de eerste en tweede verdieping een andere huurder, en dat beide huurders afzonderlijk huur betalen aan de eigenaar.
3.4.
Met het bestreden besluit van 9 februari 2024 heeft het college – in afwijking van het advies van de bezwaarschriftencommissie – het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit met een aanvullende motivering in stand gelaten. Het college stelt zich op het standpunt dat de bewoning door meerdere huishoudens geen strijd oplevert met het bestemmingsplan, omdat het pand bestemd is voor Wonen en onder die term volgens algemeen spraakgebruik diverse uiteenlopende vormen van huisvesting kunnen worden begrepen. Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft eiseres naar voren gebracht dat het pand ook bouwkundig is gesplitst en dat ook daartegen handhavend moet worden opgetreden, maar volgens rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) kan de reikwijdte van een verzoek tot handhaving na het primaire besluit niet meer worden uitgebreid, aldus het college. Ten overvloede vermeldt het college dat er op 9 januari 2024 alsnog een controle is geweest, waarbij is geconstateerd dat in het pand illegale verbouwing tot twee zelfstandige woningen heeft plaatsgevonden. Daarop is de eigenaar gewaarschuwd en is hem gevraagd de overtreding te beëindigen.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht Omgevingswet
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op het verzoek onherroepelijk wordt. Het verzoek om handhaving is gedaan op 12 mei 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing blijft.
Heeft het college het handhavingsverzoek te beperkt opgevat?
5. Eiseres voert aan dat het college haar handhavingsverzoek te beperkt heeft opgevat. Het had in het verzoek ook moeten lezen dat werd gevraagd om handhavend optreden vanwege de illegale splitsing van de woning. Een verzoek om handhaving hoeft alleen aanknopingspunten te bieden voor onderzoek naar de vraag of er een overtreding is, en hoeft niet het bewijs te bevatten van een overtreding.
5.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling kan de reikwijdte van een handhavingsverzoek na het primaire besluit niet meer worden uitgebreid. [1] Uit het handhavingsverzoek van 12 mei 2023 kan worden afgeleid dat eiseres wil dat wordt opgetreden tegen gebruik van de woning door meerdere huishoudens, maar het college heeft er geen verzoek in hoeven lezen om op te treden tegen een (eventuele) bouwkundige splitsing in twee woningen. Het is immers goed mogelijk dat een woning wordt gebruikt door meerdere huishoudens zonder dat ze wordt gesplitst in bouwkundige zin. Ook het feit dat in het verzoek specifiek staat dat eiseres hinder ondervindt door geluid en rommel, en het feit dat afsluitend wordt gevraagd een einde te maken aan ‘de illegale bewoning’, wijst erop dat het verzoek zag op bewoning door meerdere huishoudens, en niet op het feit dat de woning bouwkundig gesplitst was. Bij het handhavingsverzoek heeft eiseres weliswaar aangegeven dat sprake zou kunnen zijn van het onttrekken van een zelfstandige woning aan de woningvoorraad door het omzetten van de woning in twee onzelfstandige woonruimten, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat zij ook bezwaar zou hebben tegen een bouwkundige splitsing waarbij er juist meerdere zelfstandige woningen zijn gecreëerd, en waarbij dus geen sprake is van het onttrekken van een woning aan de woningmarkt.
Wat betreft het beroep van eiseres op de uitspraak van de Afdeling van 7 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:475, overweegt de rechtbank als volgt. In die uitspraak was een verzoek om handhaving gedaan met betrekking tot een strekdam, die volgens de verzoekers in strijd met de wet was verlengd en verzwaard. Bij het besluit op dat handhavingsverzoek had het hoogheemraadschap in eerste instantie alleen gekeken of recent uitgevoerde werkzaamheden tot een overtreding hadden geleid, en pas in bezwaar zijn ook eerder uitgevoerde werkzaamheden bij de beoordeling betrokken. De Afdeling kwam tot het oordeel dat geen sprake was van uitbreiding van het handhavingsverzoek, omdat ook de oorspronkelijke formulering van het verzoek al zag op mogelijke wijzigingen aan de strekdam die al langere tijd geleden waren aangebracht. Op dit punt verschilt de aangehaalde uitspraak van de nu voorliggende zaak, waarin immers uit de formulering van het verzoek tot handhaving niet kan worden afgeleid dat het ook op een eventuele splitsing zag.
5.2.
Gelet hierop heeft het college terecht het standpunt ingenomen dat het handhavingsverzoek alleen zag op het gebruik van de woning. Het college heeft daarom bij het bestreden besluit niet hoeven beoordelen of het feit dat de woning bouwkundig was gesplitst aanleiding zou moeten geven om handhavend op te treden.
Is er sprake van strijd met het bestemmingsplan?
6. Eiseres voert aan dat het gebruik van de woning door meerdere huishoudens in strijd is met artikel 18.2.2 onder b van het bestemmingsplan, waarin staat dat het aantal woningen per bouwvlak niet meer mag bedragen dan het aantal dat aanwezig was op het moment van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan.
6.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat onder het bestemmingsplan het gebruik van een woning door meerdere huishoudens niet verboden is. In het bestemmingsplan is niet expliciet bepaald dat een woning enkel door één huishouden bewoond mag worden.
6.2.
Voor het perceel geldt het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan] ’. Volgens dit bestemmingsplan hebben de gronden onder andere de enkelbestemming ‘Wonen’. Op grond van artikel 18.1 van het bestemmingsplan zijn de voor ‘Wonen’ aangewezen gronden onder andere bestemd voor wonen.
6.3.
De rechtbank stelt vast dat het begrip ‘wonen’ niet nader is gedefinieerd in het bestemmingsplan. Volgens vaste rechtspraak dient daarom aansluiting te worden gezocht bij het algemeen spraakgebruik. [2] Onder ‘wonen’ wordt volgens algemeen spraakgebruik verstaan: zijn woning hebben, verblijf houden, gehuisvest zijn. Daaronder worden, zoals het college terecht naar voren heeft gebracht, uiteenlopende vormen van huisvesting begrepen, met inbegrip van huisvesting in afzonderlijk verhuurde kamers of gedeelten van een woning. Artikel 18.2.2 onder b van het bestemmingsplan ziet op het maximale aantal woningen dat per bouwvlak mag worden opgericht. Deze bepaling is een bouwregel en ziet niet op het gebruik van een woning.
6.4.
Gelet hierop is het gebruik van een woning door meer dan één huishouden niet in strijd met het bestemmingsplan.
Slotsom
7. Al het voorgaande betekent dat de gronden niet slagen. Overigens is het de rechtbank duidelijk geworden dat eiseres inmiddels niet meer in de woning woont, wat serieuze twijfel oproept ten aanzien van haar procesbelang.

Conclusie en gevolgen

8. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en de afwijzing van haar handhavingsverzoek in stand blijft.
9. Voor een vergoeding van de proceskosten bestaat geen aanleiding. Eiseres krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van
mr.I. Ince, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3425, r.o. 7.1.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1882 en 23 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:192.