Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9476

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
NL25.34630
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vreemdelingenwet 2000Art. 31, zesde lid, onder b, Vreemdelingenwet 2000Art. 31, zesde lid, onder c, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Libische demonstrant wegens ongeloofwaardigheid relaas militieproblemen

Eiser, een Libische nationaliteit dragende man, diende op 28 december 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. Hij stelde dat hij vanwege deelname aan een demonstratie in 2013 problemen had ondervonden met een militie, waaronder een schietincident en ontvoering. Verweerder wees de aanvraag op 1 juli 2025 af wegens onvoldoende geloofwaardigheid van het asielrelaas.

De rechtbank behandelde het beroep op 26 februari 2026. Eiser voerde aan dat zijn relaas ondersteund werd door medische documenten en foto's, en dat hij onterecht werd verweten dat hij na de demonstratie nog een half jaar in Libië verbleef. Verweerder vond echter dat het ontbreken van juridische documenten en inconsistenties in het verhaal de geloofwaardigheid ondermijnden.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de problemen met de militie ongeloofwaardig vond, mede omdat eiser geen samenhangend en aannemelijk verhaal gaf en zijn verklaringen deels gebaseerd waren op uitspraken van derden. Ook vond de rechtbank dat het feit dat eiser nog een half jaar in Libië verbleef terwijl hij beweerde voortdurend in angst te leven, afbreuk deed aan zijn geloofwaardigheid.

De rechtbank wees het beroep af en gaf geen proceskostenvergoeding. Eiser kan binnen vier weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens ongeloofwaardigheid van het relaas over militieproblemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.34630

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A. Akhiat),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

([gemachtigde]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 28 december 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 1 juli 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser heeft de Libische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1988. Eiser heeft verklaard dat hij in november 2013 heeft deelgenomen aan een demonstratie en daardoor problemen heeft ondervonden met een militie. Eiser is na de demonstratie in het ziekenhuis beland, omdat hij is beschoten door leden van een militie. In september 2016 is eiser ontvoerd door leden van deze militie. De vader van eiser heeft aangifte gedaan vanwege eisers ontvoering. Eiser is na een maand weer vrijgelaten. Daarna – tussen april 2017 en 2021 – hebben eisers moeder en zijn broer verschillende problemen ondervonden met deze militie. Nadat een werknemer van zijn broer is ontvoerd bij de garage van eiser en zijn broer, is eiser in juni 2022 naar Tunesië gegaan voor de aanvraag van een Nederlands visum. In november 2022 is eiser teruggekeerd naar Libië vanwege de medische behandeling van zijn kind, waarna eiser op 18 december 2022 legaal Libië is uitgereisd.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;
eisers problemen met een militie naar aanleiding van zijn deelname aan een demonstratie in 2013.
4. Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar eisers problemen met een militie naar aanleiding van zijn deelname aan een demonstratie in 2013 niet. Verweerder heeft daarbij betrokken dat eiser onvoldoende documenten heeft gegeven en daarvoor geen goede verklaring heeft [1] en dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen [2] . Verweerder vindt dat eiser bij terugkeer naar Libië geen vrees voor vervolging heeft in de zin van het Vluchtelingenverdrag en geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daarvoor het volgende aan. Eiser vindt dat hem ten onrechte wordt tegengeworpen dat hij in Engeland asiel heeft aangevraagd en niet in Nederland is gebleven. Eiser is namelijk vertrokken naar Engeland, omdat hij in Nederland te lang moest wachten. Daarnaast wordt door verweerder miskend dat de ziekenhuisbrief in combinatie met de foto’s van het ziekenhuisverblijf en de andere stukken, wel degelijk het relaas van eiser ondersteunt. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de ziekenhuisbrief en eisers littekens niet bijdragen aan de aannemelijkheid van het relaas. Verder strookt alles wat eiser heeft verklaard met wat er in de openbare bronnen bekend is over de gebeurtenissen in Libië. Bovendien heeft eiser in de zienswijze al aangegeven waarom hem niet de denkwijze van de milities kan worden tegengeworpen. Tot slot wordt eiser ten onrechte tegengeworpen dat hij nog een half jaar in Libië is gebleven, omdat hij in de zienswijze heeft uitgelegd waarom hij niet zomaar weg kon.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Procesbelang
7. Uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter blijkt het uitgangspunt dat een vreemdeling, zolang hij in contact staat met zijn gemachtigde, belang houdt bij zijn procedure om verblijfsrecht in Nederland te verkrijgen. [3] Dit kan alleen anders zijn als er andere concrete aanknopingspunten zijn dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland of dat hij er anderszins geen actueel en reëel belang meer bij heeft. De bestuursrechter kan pas vaststellen dat procesbelang ontbreekt als uit de omstandigheden omtrent het verblijf in het buitenland duidelijk kan worden afgeleid dat de vreemdeling geen verblijf in Nederland meer nastreeft en dus geen actueel en reëel belang bij de uitkomst van zijn beroepsprocedure meer heeft.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat uit de omstandigheden omtrent eisers verblijf in het buitenland niet duidelijk kan worden afgeleid dat hij geen verblijf in Nederland nastreeft. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser en zijn gemachtigde ook na eisers vertrek naar het Verenigd Koninkrijk meerdere malen contact hebben gehad en dat eiser heeft aangegeven nog steeds prijs te stellen op een inhoudelijk oordeel over zijn beroep. De door verweerder genoemde omstandigheid dat eiser het grondgebied van de Europese Unie heeft verlaten en asiel heeft aangevraagd in het Verenigd Koninkrijk, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer dat moet worden geconcludeerd dat eiser geen prijs meer stelt op de behandeling van zijn asielaanvraag in Nederland, dan wel de Europese Unie. Dit biedt op zichzelf onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat eiser geen actueel en reëel belang meer heeft bij bescherming in Nederland. Eiser heeft daarnaast op zitting verduidelijkt dat zijn asielaanvraag in het Verenigd Koninkrijk inmiddels is afgewezen.
Mocht verweerder eisers problemen met een militie naar aanleiding van zijn deelname aan een demonstratie in 2013 ongeloofwaardig vinden?
8. Verweerder heeft mogen vinden dat eisers problemen met een militie naar aanleiding van zijn deelname aan een demonstratie in 2013 ongeloofwaardig zijn. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat eiser geen documenten heeft overgelegd en daarvoor geen goede verklaring heeft. Eiser heeft namelijk verklaard dat er een rechtszaak naar aanleiding van de demonstratie was aangespannen en dat deze rechtszaak de reden was dat de militie het op hem en zijn familie gemunt had. Eiser heeft geen documenten overgelegd van deze rechtszaak. Verweerder heeft van eiser mogen verwachten dat hij juridische documenten had ingebracht nu deze rechtszaak de start van het asielrelaas vormt. Eisers stelling dat door verweerder wordt miskend dat de ziekenhuisbrief, in combinatie met de foto’s van het verblijf en de andere stukken, eisers relaas wel ondersteunt, volgt de rechtbank niet. De rechtbank overweegt dat deze beroepsgrond een herhaling van de zienswijze is. Verweerder heeft in het bestreden besluit uiteengezet waarom de ziekenhuisbrief en de andere documenten niet leiden tot het geloofwaardig vinden van het asielrelaas. Eiser heeft daarbij in beroep niet aangegeven waarom deze reactie van verweerder tekortschiet, hetgeen wel op zijn weg had gelegen. Verweerder heeft daarnaast aangegeven waarom eisers littekens niet bijdragen aan de geloofwaardigheid van eisers verklaringen. Eiser heeft daarbij niet aangegeven waarom deze motivering van verweerder tekortschiet.
8.1.
Verder heeft verweerder mogen vinden dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat het op vermoedens is gebaseerd dat eiser al sinds 2016 actief door milities wordt gezocht. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij dit begreep uit zijn omgeving, waardoor hij wist dat de militie actief op zoek was naar eiser. Eiser heeft zijn verklaring dus enkel gebaseerd op uitspraken van derden. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat hieraan niet het gewicht kan worden toegekend dat eiser wenst. Daarbij heeft verweerder mogen vinden dat niet is gebleken dat eiser zelf na 2016 nog problemen heeft ondervonden met de militie. Eiser heeft enkel verklaard dat zijn familieleden problemen hebben gehad, maar niet dat hij zelf nog is benaderd door de militie. Bovendien heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat eiser wisselend heeft verklaard over de redenen om al dan niet uit Libië te vertrekken. Eiser heeft namelijk aan de ene kant verklaard over meerdere voorvallen in de periode 2013 tot en met 2020 en dat hij op twee momenten naar een andere woonwijk is verhuisd, omdat de militie eisers woonwijk betrad. Eiser heeft vervolgens aan de andere kant verklaard dat de militie in 2020 [plaats] binnenkwam. Eiser heeft toen verklaard dat hij niet de noodzaak zag om te vertrekken, omdat het enkel om een bureau ging en de mensen die daar werkten hem niet zouden kennen. Verweerder heeft mogen vinden dat het afbreuk doet aan de gestelde dreiging vanuit de milities dat eiser in 2020 niet de noodzaak voelde om direct te vertrekken. Verweerder heeft zich ook op het standpunt mogen stellen dat van eiser mag worden verwacht dat hij zo spoedig mogelijk uit Libië probeert te vertrekken wanneer hij zou vrezen voor zijn leven en wanneer er sprake zou zijn van een urgente dreiging. Verweerder heeft daarbij mogen vinden dat het afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van eisers asielmotief dat eiser nog een half jaar in Libië zou zijn geweest, terwijl hij stelt dat hij voortdurend in angst leefde. Eisers stelling dat hem ten onrechte wordt tegengeworpen dat hij nog een half jaar in Libië is gebleven, omdat hij in de zienswijze heeft uitgelegd waarom hij niet zomaar weg kon, volgt de rechtbank niet. De rechtbank overweegt namelijk dat deze beroepsgrond een herhaling van de zienswijze is. Verweerder heeft in het bestreden besluit op de zienswijze gereageerd. Eiser heeft in beroep niet aangegeven waarom de reactie van verweerder tekortschiet, hetgeen wel op zijn weg had gelegen.
9. De rechtbank volgt eiser in zijn stelling dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij ongeloofwaardig heeft verklaard over de planning of de denkwijze van de milities. Eiser heeft namelijk aangegeven dat hij niet precies weet wat er in de milities om ging of hoe ze zouden weten dat eiser weer terug in het dorp was. Eiser heeft enkel gespeculeerd dat de militie zijn auto zou hebben herkend. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder daarom niet aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij hier niet eenduidig over heeft verklaard. Dit maakt echter niet dat verweerder eisers problemen met een militie naar aanleiding van zijn deelname aan een demonstratie in 2013 niet ongeloofwaardig mocht vinden. Gelet op hetgeen de rechtbank in rechtsoverwegingen 8 en 8.1 heeft overwogen, oordeelt de rechtbank namelijk dat verweerder zich op het standpunt mocht stellen dat eisers problemen met een militie naar aanleiding van zijn deelname aan een demonstratie in 2013 ongeloofwaardig zijn.

Conclusie en gevolgen

10. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
11. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Vlassak, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vw.
2.Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw.
3.Zie uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662, r.o. 2.7 en van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4049, r.o. 2.1.