ECLI:NL:RBDHA:2026:9477
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf en niet-ontvankelijkheid beroep eerste besluit
Eiser, van Pakistaanse nationaliteit, heeft op 8 mei 2024 een aanvraag ingediend voor een visum voor kort verblijf om zijn zus te bezoeken. De minister wees deze aanvraag op 16 mei 2024 af. Eiser maakte bezwaar, dat op 29 september 2024 kennelijk niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het ontbreken van bezwaargronden. Eiser stelde daarop beroep in op 5 december 2025.
De minister trok het besluit van 29 september 2024 op 27 maart 2026 in en verving het door een nieuw besluit waarin de afwijzing werd gehandhaafd en het bezwaar kennelijk ongegrond werd verklaard. De rechtbank vroeg eiser om nieuwe beroepsgronden tegen dit nieuwe besluit, maar deze werden niet ingediend.
De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het ingetrokken besluit niet-ontvankelijk is wegens gebrek aan belang, maar dat de proceskosten voor dit beroep aan eiser worden vergoed. Het beroep tegen het nieuwe besluit wordt ongegrond verklaard omdat geen nieuwe gronden zijn aangevoerd. De minister wordt veroordeeld tot betaling van € 934 aan proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen het ingetrokken besluit is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het nieuwe besluit ongegrond, met een proceskostenvergoeding aan eiser.