Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9508

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
NL26.6920 en NL26.6921
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vreemdelingenwet 2000Art. 30b, eerste lid, onder c, Vreemdelingenwet 2000Art. 30b, eerste lid, onder d, Vreemdelingenwet 2000Art. 31, zesde lid, onder b, Vreemdelingenwet 2000Art. 31, zesde lid, onder c, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid en misleiding over identiteit

Eiser, geboren in Afghanistan en met de Indiase nationaliteit, vreesde in India vervolging door zijn schoonfamilie en vroeg asiel aan in Nederland. Verweerder wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond vanwege ongeloofwaardigheid van het relaas en misleiding over identiteit, onder meer door vernietiging van het Indiase paspoort en gebruik van een vals Italiaans paspoort.

Eiser voerde aan dat verweerder onvoldoende had doorgevraagd en dat de afwijzing te zwaar was gebaseerd op inconsistenties en het niet direct aanvragen van asiel. De rechtbank oordeelde echter dat verweerder terecht de geloofwaardigheid van het conflict met de schoonfamilie in twijfel trok vanwege gebrek aan concrete onderbouwing en inconsistenties in het relaas.

Daarnaast mocht verweerder het late indienen van de asielaanvraag en het vernietigen van het paspoort meewegen. De rechtbank vond dat verweerder voldoende had gemotiveerd waarom de aanvraag als kennelijk ongegrond kon worden afgewezen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.6920 en NL26.6921
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser], [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. N. Birrou),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. E.J.M.C. Jansen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 8 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, W.M. Mamik als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] 1987 in Afghanistan. Eiser is op jonge leeftijd vertrokken naar India en heeft de Indiase nationaliteit. Hij heeft verder lange tijd in Rusland verbleven. Eiser heeft verklaard dat hij in India in conflict is geraakt met zijn schoonfamilie. Eisers schoonfamilie heeft hem fysiek aangevallen en met de dood bedreigd. Bij terugkeer naar India vreest eiser dat hij door zijn schoonfamilie gedood zal worden.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de asielmotieven:
eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;
de problemen met eisers schoonfamilie.
3.1.
Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar de problemen met eisers schoonfamilie niet. Verweerder heeft hierbij betrokken dat eiser onvoldoende documenten heeft gegeven en daarvoor geen goede verklaring heeft [1] en dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen [2] . Daarnaast vindt verweerder dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en daarvoor geen goede verklaring heeft [3] en dat eiser niet in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd [4] . Verweerder vindt dat eiser bij terugkeer naar India geen vrees voor vervolging heeft in de zin van het Vluchtelingenverdrag en geen reëel risico op ernstige schade loopt als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiser verweerder heeft misleid over zijn identiteit en nationaliteit [5] en omdat eiser een identiteits- of reisdocument heeft vernietigd of weggemaakt [6] .
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Allereerst heeft verweerder niet voldaan aan de samenwerkingsverplichting, omdat verweerder tijdens het nader gehoor onvoldoende diepgaand en adequaat heeft doorgevraagd op punten die als onvoldoende concreet worden aangemerkt. Verweerder heeft te veel betekenis toegekend aan de vermeende inconsistentie over het moment waarop eiser zijn gezin en schoonfamilie heeft verlaten in relatie tot de geboorte van zijn dochter. Verweerder heeft namelijk onvoldoende gemotiveerd waarom deze inconsistentie zodanig essentieel is dat het afbreuk doet aan de geloofwaardigheid. Verweerder heeft daarnaast ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over het doen van aangifte. Ook wordt de omstandigheid dat eiser niet direct asiel heeft aangevraagd en heeft geprobeerd door te reizen naar het Verenigd Koninkrijk cumulatief gebruikt om het relaas ongeloofwaardig te achten en daarmee onevenredig zwaar gewogen. Tot slot heeft verweerder de asielaanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond afgewezen. Hiervoor moet de asielaanvraag namelijk zonder inhoudelijk twijfel als ongegrond afgewezen kunnen worden en dat is hier niet het geval.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Mocht verweerder de problemen met eisers schoonfamilie ongeloofwaardig vinden?
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de problemen met eisers schoonfamilie ongeloofwaardig mocht vinden. Verweerder mocht daarbij betrekken dat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd en daarvoor geen goede verklaring heeft. Eiser heeft namelijk zijn Indiase paspoort vernietigd en deze weggegooid toen hij in Nederland was. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser geen goede verklaring heeft gegeven voor het vernietigen en weggooien van zijn paspoort. Eiser heeft verklaard dat hij dit heeft gedaan, omdat de reisagent had gezegd dat hij teruggestuurd kon worden naar India als hij zou worden betrapt met zijn eigen paspoort. [7] Verweerder mocht vinden dat dit geen verschoonbare reden is. Eiser stelt namelijk dat hij internationale bescherming nodig had en asiel wilde aanvragen. Verweerder heeft mogen vinden dat er daarom geen reden was om aan te nemen dat eiser zomaar terug gestuurd zou worden naar India als hij met zijn eigen paspoort was aangetroffen, omdat eiser dan kenbaar had kunnen maken dat hij internationale bescherming nodig had. Bovendien heeft verweerder mogen vinden dat eiser door het overleggen van zijn paspoort ook zijn asielrelaas nader had kunnen onderbouwen. Eiser had namelijk aan de hand van de in- en uitreisstempels in zijn paspoort zijn gestelde reisbewegingen tussen Rusland en India kunnen onderbouwen. Eisers stelling dat verweerder had moeten concretiseren welke essentiële onderdelen van het relaas hierdoor niet meer toetsbaar zijn, volgt de rechtbank niet. Zoals reeds overwogen, heeft verweerder uiteengezet waarom eiser met het overleggen van zijn paspoort zijn asielrelaas nader had kunnen onderbouwen.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ook mogen vinden dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Verweerder heeft zich ten eerste op het standpunt mogen stellen dat eiser vaag, inconsistent en ongerijmd heeft verklaard over het conflict tussen hem en zijn schoonfamilie. Eiser stelt namelijk dat er sprake was van een lange periode van ruzies en bemoeienis vanuit zijn schoonfamilie in zijn huwelijk, maar heeft nagelaten om concrete voorbeelden te geven van deze bemoeienis. Verweerder heeft mogen vinden dat van eiser verwacht mag worden dat hij concreet kan verklaren over de bemoeienissen door zijn schoonfamilie, omdat het eiser heeft doen besluiten om zijn vrouw en kinderen voorgoed achter te laten en te vertrekken uit India. Bovendien heeft verweerder niet ten onrechte tegengeworpen dat eiser inconsistent heeft verklaard over het contact tussen hem en zijn schoonfamilie. Eiser heeft namelijk enerzijds verklaard dat het contact altijd via eisers vrouw liep en zijn schoonmoeder nooit direct iets zei tegen hem. [8] Anderzijds heeft eiser verklaard dat hij heel vaak met zijn schoonmoeder heeft gepraat over de problemen. [9] Verweerder heeft ten tweede mogen vinden dat de door eiser geschetste tijdlijn van gebeurtenissen inconsistent is. Eiser heeft enerzijds verklaard dat het conflict met zijn schoonfamilie is geëscaleerd in mei of juni 2020. [10] Twee weken tot een maand later is eiser teruggekeerd naar Rusland [11] en daarna heeft eiser geen contact meer geprobeerd te leggen met zijn echtgenote [12] . Anderzijds heeft eiser verklaard dat hij na de geboorte van zijn dochter is vertrokken en sindsdien geen contact meer heeft [13] en dat zijn dochter is geboren op [geboortedatum 2] 2020 [14] . Verweerder heeft daarbij mogen vinden dat van eiser verwacht mag worden dat hij deze gebeurtenissen in de juiste volgorde kan plaatsen, nu deze relevant zijn voor eisers asielrelaas. Eiser stelling dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze inconsistentie zodanig essentieel is dat het afbreuk doet aan de geloofwaardigheid, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft namelijk uitgelegd waarom van eiser verwacht mag worden dat hij consistent kan verklaren over deze gebeurtenissen. Eiser heeft niet nader onderbouwd dan wel geconcretiseerd waarom deze uitleg tekortschiet.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich verder op het standpunt mocht stellen dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en daarvoor geen goede verklaring heeft. Eiser is namelijk op 18 januari 2026 Nederland ingereisd en heeft pas op 25 januari 2026 zijn asielaanvraag ingediend op Schiphol. Eiser heeft verklaard dat hij niet van plan was om in Nederland asiel aan te vragen, omdat hij wilde doorreizen naar het Verenigd Koninkrijk. [15] Verweerder heeft daarbij mogen vinden dat van eiser verwacht mag worden dat hij zich zo spoedig mogelijk meldt bij de autoriteiten van een land dat hem bescherming kan bieden, ongeacht of dit land zijn voorkeur geniet. Verweerder heeft tot slot mogen vinden dat eiser niet in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd. Verweerder heeft hierbij mogen betrekken dat eiser zich heeft ontdaan van zijn paspoort en heeft geprobeerd om met een vals Italiaans paspoort naar het Verenigd Koninkrijk te reizen.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder al op basis van het voorgaande voldoende heeft gemotiveerd waarom hij eisers verklaringen over de problemen met zijn schoonfamilie ongeloofwaardig vindt. Het voorgaande kan het besluit dus al dragen. De rechtbank laat de vraag of eiser al dan niet tegenstrijdig heeft verklaard over het doen van aangifte daarom onbesproken.
8. Voor zover eiser op zitting, onder verwijzing naar het arrest Adrar [16] , naar voren heeft gebracht dat verweerder geen volledige beoordeling heeft verricht en na de geloofwaardigheidsbeoordeling had moeten doortoetsen , slaagt dit – in het licht van wat hiervoor is overwogen – niet. Eisers beroep op de verwijzingsuitspraak [17] van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, slaagt evenmin. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft namelijk in haar uitspraak van 6 maart 2025 [18] al geoordeeld dat de geloofwaardigheidsbeoordeling als zodanig niet in strijd is met het Unierecht.
Mocht verweerder de asielaanvraag afwijzen als kennelijk ongegrond?
9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de asielaanvraag mogen afwijzen als kennelijk ongegrond. Verweerder heeft mogen vinden dat hij door eiser is misleid omtrent zijn identiteit en nationaliteit [19] , omdat eiser valse informatie heeft verstrekt aan de Nederlandse autoriteiten. Eiser heeft namelijk geprobeerd om vanuit Nederland naar Ierland te reizen met een vals Italiaans paspoort. Daarnaast heeft verweerder de asielaanvraag mogen afwijzen als kennelijk ongegrond, omdat eiser zijn Indiase paspoort opzettelijk heeft vernietigd of weggemaakt. [20] Eisers stelling dat verweerder de asielaanvraag alleen als kennelijk ongegrond kan afwijzen als de asielaanvraag zonder inhoudelijke twijfel als ongegrond kan worden afgewezen, volgt de rechtbank niet. Uit artikel 30b van de Vreemdelingenwet 2000 volgt namelijk dat verweerder de asielaanvraag kan afwijzen als kennelijk ongegrond wanneer is voldaan aan een van de in het wetsartikel genoemde voorwaarden.

Conclusie en gevolgen

10. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
11. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
12. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S. Vlassak, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vw.
2.Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw.
3.Artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw.
4.Artikel 31, zesde lid, onder e, van de Vw.
5.Artikel 30b, eerste lid, onder c, van de Vw.
6.Artikel 30b, eerste lid, onder d, van de Vw.
7.Gehoorverslag aanmeldgehoor, pagina 5.
8.Gehoorverslag nader gehoor, pagina 15.
9.Gehoorverslag nader gehoor, pagina 9.
10.Gehoorverslag nader gehoor, pagina 14.
11.Gehoorverslag nader gehoor, pagina 15.
12.Gehoorverslag nader gehoor, pagina 13.
13.Gehoorverslag nader gehoor, pagina 9.
14.Gehoorverslag aanmeldgehoor, pagina 10.
15.Gehoorverslag nader gehoor, pagina 17.
16.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.
17.Tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 18 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2170..
18.Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3440.
19.Op grond van artikel 30b, eerste lid, onder c, van de Vw.
20.Op grond van artikel 30b, eerste lid, onder d, van de Vw.