Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie van 14 augustus 2025. De minister diende binnen negentien weken na afloop van de bezwaartermijn te beslissen, uiterlijk op 24 januari 2026. Dit is niet gebeurd, waarna eiser de minister op 29 januari 2026 in gebreke stelde en vervolgens beroep instelde wegens het niet tijdig beslissen.
De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en gegrond. Omdat de minister nog geen besluit heeft genomen, wordt hem opgedragen dit alsnog binnen twee weken na de uitspraak te doen. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die een langere termijn rechtvaardigen. Op 16 maart 2026 vond een hoorzitting plaats waarin eiser zijn bezwaar mondeling toelichtte, wat de rechtbank meeneemt in de redelijke termijnstelling.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag bij overschrijding van de termijn, met een maximum van € 15.000,-. De minister wordt ook veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467,-, inclusief het betaalde griffierecht van € 200,-. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.