Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9514

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
NL26.5401 en NL26.5402
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29, eerste lid, onder b, Vreemdelingenwet 2000Art. 31, zesde lid, onder c, Vreemdelingenwet 2000Art. 31, zesde lid, onder e, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielverzoek Irak vanwege ongeloofwaardige bekering tot christendom

Eiser, een Iraakse asielzoeker, heeft meerdere asielaanvragen ingediend die allen zijn afgewezen. De huidige zaak betreft een opvolgende aanvraag waarin eiser stelt te zijn bekeerd tot het christendom en daardoor vervolgingsgevaar loopt. Verweerder achtte de bekering ongeloofwaardig en concludeerde dat er geen reëel risico op vervolging bestaat.

De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht de bekering ongeloofwaardig heeft bevonden, mede vanwege tegenstrijdige verklaringen over de tijdslijn en het ontbreken van een overtuigend relaas over het bekeringproces. Ook de overgelegde doopakte is onvoldoende zonder een samenhangend innerlijk proces.

Eisers stelling dat familieomstandigheden het relaas niet ongeloofwaardig maken, wordt verworpen. De rechtbank wijst ook het beroep op de compensatie-optie af, omdat eiser onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn persoonlijke bekeringservaringen.

De rechtbank bevestigt dat de verwestering reeds in eerdere procedures is beoordeeld en geen nieuw relevant element vormt. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.5401 en NL26.5402

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. L.J. Blijdorp),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van eisers asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter eisers verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 26 januari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
Eerdere procedures
2. De moeder van eiser heeft vier keer een asielaanvraag ingediend namens hem. Verweerder heeft deze aanvragen bij besluiten van 8 februari 2018, 25 maart 2019, 3 december 2019 en 18 maart 2023 afgewezen. Eiser heeft naar voren gebracht dat hij, als zoon van een vader die door machthebbers wordt gezocht, zelfstandig gevaar loopt op vervolging en afrekening. Verweerder heeft de problemen van eisers vader en eisers familie met de stam ongeloofwaardig geacht. Deze besluiten staan in rechte vast.
3. Op 23 augustus 2023 heeft eiser zelfstandig een opvolgende aanvraag ingediend. Eiser heeft aangevoerd dat hij gevaar loopt vanwege zijn vader, dat hij is verwesterd en dat hij zich heeft afgewend van de islam. Verweerder heeft de problemen van eisers vader wederom ongeloofwaardig geacht. Verweerder heeft geloofwaardig geacht dat eiser gewend is geraakt aan de Nederlandse cultuur en dat eiser zich heeft afgewend van de islam. Verweerder heeft geconcludeerd dat eiser geen vrees voor vervolging heeft in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Dit besluit staat ook in rechte vast.
Huidige aanvraag
4. Op 28 oktober 2025 heeft eiser de huidige opvolgende asielaanvraag ingediend. Eiser heeft de Iraakse nationaliteit en is geboren op 22 november 2005. Eiser heeft verklaard dat hij is bekeerd tot het christendom.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;
eisers bekering tot het christendom.
5.1.
Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar eisers bekering tot het christendom niet. Verweerder heeft daarbij betrokken dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen [1] en dat eiser niet in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd [2] . Verweerder vindt dat eiser bij terugkeer naar Irak geen vrees voor vervolging heeft in de zin van het Vluchtelingenverdrag en geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Wat vindt eiser in beroep?
6. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Verweerder heeft ten onrechte eisers bekering tot het christendom ongeloofwaardig geacht. Ten eerste heeft verweerder ten onrechte geen gevolg gegeven aan de compensatie-optie, waardoor het onderzoek onvolledig is geweest. Ten tweede betwist eiser dat zijn verklaringen over het bekeringsproces niet voldoende diepgaand en overtuigend zijn geweest. Dat familieomstandigheden een rol hebben gespeeld in het proces, maakt niet op voorhand dat eisers bekering ongeloofwaardig is. Persoonlijke omstandigheden moeten namelijk worden meegewogen. Tot slot heeft eiser toegelicht dat hij veel waarde hecht aan de rust en vrede die hij vindt in zijn nieuwe geloof.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
7. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Mocht verweerder eisers bekering tot het christendom ongeloofwaardig vinden?
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder mogen vinden dat eisers bekering tot het christendom ongeloofwaardig is. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Verweerder heeft zich namelijk op het standpunt mogen stellen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de gestelde tijdslijn. Eiser heeft aan de ene kant tijdens het gehoor van 19 januari 2026 verklaard dat hij één of twee maanden geleden voor het eerst in contact is gekomen met het christendom. [3] Aan de andere kant heeft eiser op 28 oktober 2025 een herhaalde aanvraag ingediend, waarbij eisers gemachtigde heeft gezegd dat eisers moeder zich heeft bekeerd tot het christendom en dat haar zonen daarmee bezig zijn of die stap hebben gezet. Dit betekent dat eiser al voor het indienen van zijn herhaalde asielaanvraag in aanraking moet zijn gekomen met het christendom. Verweerder heeft daarbij mogen vinden dat van eiser mag worden verwacht dat hij zijn tijdslijn inzichtelijk kan maken, omdat het een proces is waar hij zelf door heen is gegaan.
8.1.
Verder mocht verweerder vinden dat eiser niet kan uitleggen waardoor hij besloot om zich te bekeren tot het christendom. Eiser is namelijk sinds 2021 afvallig en heeft in de vorige procedure verklaard dat hij atheïst is. Eiser heeft tijdens het gehoor verklaard dat hij is bekeerd, omdat hij iets nodig had om te weten wat goed en slecht is. [4] Het christendom heeft hem daarin geholpen en het is een verbetering van zijn hart. [5] Verder was een bepalende factor in eisers bekering het bezoek van [naam] , omdat eiser toen geleerd kreeg hoe hij moest bidden. [6] Ook had het verhaal van Jezus Christus eiser geraakt, voelde hij zich kalm en veilig en voelde eiser het in zijn hart. [7] Verweerder heeft mogen vinden dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij de keuze heeft gemaakt zich daadwerkelijk te bekeren tot het christendom. Verweerder heeft ook mogen vinden dat eisers verklaringen algemeen blijven, omdat eiser niet uitlegt waarom een bepaalde gebeurtenis ertoe heeft geleid dat hij zich specifiek tot het christendom wendde en niet een andere religie. Eisers enkele stelling dat hij veel waarde hecht aan de rust en vrede die hij ervaart in zijn nieuwe geloof, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft in het bestreden besluit al beoordeeld dat eiser rust en vrede ervaart vanwege zijn nieuwe geloof. Eiser heeft niet aangevoerd waarom de beoordeling van verweerder tekortschiet, terwijl dit wel op zijn weg had gelegen.
8.2.
Verweerder heeft ook mogen vinden dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt waardoor hij zeker is van zijn bekering. Eiser is namelijk pas twee keer naar de kerk geweest, heeft nog niet de hele Bijbel gelezen en is nog maar kort geleden in contact gekomen met het christendom. Aan eiser is gevraagd waarom hij ondanks deze omstandigheden toch al definitief is bekeerd. Eiser heeft geantwoord dat hij van [naam] zijn ogen moest dichtdoen en dat hij toen Jezus naast zich zag en een grote deur zag die hij niet kon openen. [8] Vanaf die dag wilde eiser het christendom volgen en geloofde hij echt. [9] Verweerder heeft mogen vinden dat eiser hiermee niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij, ondanks de korte aanraking met het christendom en de beperkte kennis, zich toch definitief heeft bekeerd. Eiser heeft namelijk niet duidelijk gemaakt hoe zijn ervaring tot een weloverwogen geloofskeuze heeft geleid en ertoe heeft geleid dat hij met zekerheid is bekeerd. Verweerder heeft daarbij mogen vinden dat van eiser mag worden verwacht dat hij kan uitleggen hoe zijn overtuiging is gevormd, gezien hij stelt dat hij definitief is bekeerd. Over de in beroep overgelegde doopakte overweegt de rechtbank dat deze weliswaar kan dienen ter staving van een bekering, maar dat het aan eiser zelf is om tegenover verweerder overtuigende verklaringen af te leggen over zijn bekering en het proces dat daartoe heeft geleid. Verweerders heeft daarom mogen vinden dat de doopakte niet doorslaggevend is als er geen inzicht is gegeven in het innerlijke proces van de bekering.
8.3.
Gelet op wat hiervoor is overwogen volgt de rechtbank eisers stelling niet dat hij voldoende diepgaand en overtuigend heeft verklaard over het bekeringsproces. Eisers stelling dat familieomstandigheden een rol kunnen spelen in het proces tot bekering en dit het relaas niet op voorhand ongeloofwaardig maakt, volgt de rechtbank evenmin. Het wordt namelijk niet door verweerder betwist dat de rol van de vader indruk gemaakt kan hebben op eiser en mogelijk aanleiding kan zijn om een nieuw geloof te onderzoeken.
8.4.
Eisers stelling dat verweerder ten onrechte geen gevolg heeft gegeven aan de compensatie-optie, volgt de rechtbank niet. De rechtbank leest de uitspraak van de Afdeling [10] zo dat de verklaringen van een vreemdeling over de kennis en activiteiten niet kunnen compenseren, als een vreemdeling met zijn verklaringen
in het geheelgeen proces van bekering met eigen ervaringen en persoonlijke beleving inzichtelijk heeft gemaakt. Als een vreemdeling
onvoldoendekan verklaren over de motieven en het proces en een genoegzame verklaring heeft waarom hij minder goed kan verklaren, is er de mogelijkheid om dit te compenseren met verklaringen over kennis en activiteiten. Zoals reeds overwogen, heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat eiser zijn verklaringen over zijn motieven en proces van bekering
in het geheelniet inzichtelijk heeft gemaakt, waardoor eisers verklaringen over zijn kennis en activiteiten dit niet kunnen compenseren.
9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder mogen vinden dat eisers verwestering al bij zijn vorige asielaanvraag is beoordeeld en dat dit niet kan worden aangemerkt als nieuw relevant element. Met de uitspraak van de rechtbank van 13 mei 2025 is dit besluit in rechte vast komen te staan.

Conclusie en gevolgen

10. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
11. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
12. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Vlassak, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw.
2.Artikel 31, zesde lid, onder e, van de Vw.
3.Gehoor opvolgende aanvraag, pagina 5.
4.Gehoor opvolgende aanvraag, pagina 9.
5.Gehoor opvolgende aanvraag, pagina 9.
6.Gehoor opvolgende aanvraag, pagina 8.
7.Gehoor opvolgende aanvraag, pagina 11.
8.Gehoor opvolgende aanvraag, pagina 11.
9.Gehoor opvolgende aanvraag, pagina 11.
10.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 12 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:977, r.o. 4.3, 5.7 en 5.8.