Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, is op 31 maart 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege een concreet aanknopingspunt voor overdracht aan Slovenië volgens de Dublinverordening en een significant risico op onderduiken.
Eiser betwistte niet de zware gronden en het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats, maar voerde aan dat hij niet het risico liep om onder te duiken en dat hij onjuist was geïnformeerd over de aanwezigheid van zijn advocaat tijdens het gehoor, wat zijn verdedigingsbeginsel zou schenden. De rechtbank oordeelde dat eiser niet in zijn belangen was geschaad en dat hij geen rechtsbijstand wenste.
Voorts stelde eiser dat geen zicht op overdracht bestond omdat hij geen asielaanvraag in Slovenië had ingediend en dat overdracht zou leiden tot schending van het non-refoulementbeginsel. De rechtbank verwierp dit omdat de bewaring op de Dublinverordening is gebaseerd en de bewaringsrechter niet bevoegd is het interstatelijk vertrouwensbeginsel te toetsen. Bovendien was er een akkoord tussen Nederland en Slovenië over terugname en een geplande overdracht.
Ten slotte voerde eiser aan dat een lichter middel had moeten worden ingezet, maar de rechtbank vond de minister voldoende gemotiveerd waarom bewaring noodzakelijk was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.