Eiser heeft voor de vierde keer asiel aangevraagd, waarbij hij vrees uitte vanwege zijn Koerdische afkomst, deelname aan demonstraties en militaire dienstplicht. De minister verklaarde de aanvraag niet-ontvankelijk omdat geen nieuwe relevante elementen waren aangevoerd en handhaafde het inreisverbod.
De rechtbank overwoog dat eerdere asielmotieven reeds waren beoordeeld en dat de nieuwe aanvraag geen nieuwe feiten of bevindingen bevatte die de kans op internationale bescherming aanzienlijk vergroten. Ook recente landeninformatie bracht geen verandering in de situatie aan het licht die relevant is voor eiser.
Eisers beroep op jurisprudentie en gewijzigde beleidslijnen werd verworpen omdat hij onvoldoende heeft toegelicht waarom deze tot een andere beoordeling zouden moeten leiden. De rechtbank concludeerde dat het inreisverbod terecht gehandhaafd blijft en dat het beroep ongegrond is.
De uitspraak bevestigt dat opvolgende asielaanvragen zonder nieuwe relevante elementen niet ontvankelijk worden verklaard en dat het belang van een zorgvuldige toetsing aan actuele feiten en persoonlijke omstandigheden centraal staat.
Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding en kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.