Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9582

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
AWB 25/13681
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening tegen afwijzing aanvraag niet-ontvankelijk verklaard

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 21 april 2026 uitspraak gedaan over een verzoek om voorlopige voorziening van een Chinese verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag door de minister van Asiel en Migratie.

De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat tegen het primaire besluit geen bezwaarprocedure openstaat. Volgens artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een verzoek om voorlopige voorziening alleen worden gedaan als er een bezwaarprocedure tegen het primaire besluit loopt.

Omdat dit niet het geval is, is het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De voorzieningenrechter heeft het verzoek daarom niet inhoudelijk beoordeeld en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De uitspraak is gedaan zonder zitting en is verzonden aan partijen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard omdat tegen het primaire besluit geen bezwaarprocedure loopt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/13681

uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 april 2026 in de zaak tussen

[naam verzoeker]

[geboortedatum verzoeker],
[V-nummer verzoeker],
van Chinese nationaliteit,
(gemachtigde: mr. J.L. Hofdijk),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoeker.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Het verzoek om voorlopige voorziening gaat over het primaire besluit. Tegen dat besluit loopt geen bezwaarprocedure. Alleen als dat wel het geval is, kan iemand een verzoek om voorlopige voorziening doen.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.S.G. van der Werf, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.