ECLI:NL:RBDHA:2026:9589

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
NL25.63844
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 DublinverordeningArt. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechtenArt. 8:54 AwbArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening

De rechtbank Den Haag heeft op 16 april 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser beroep instelde tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit besluit op de Dublinverordening, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser voerde aan dat de besluitvorming onzorgvuldig was en dat hij in Duitsland niet de mogelijkheid had gekregen zijn asielrelaas toe te lichten. Tevens stelde hij dat de opvangvoorzieningen in Duitsland onvoldoende zijn en dat hij vreest voor indirect refoulement naar Algerije. De rechtbank overwoog dat de minister terecht mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser onvoldoende concrete aanwijzingen had geleverd om aan te tonen dat hij een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro.

De rechtbank concludeerde dat het beroep kennelijk ongegrond is en verklaarde het beroep ongegrond. Hierdoor blijft het besluit van de minister in stand en mag eiser worden overgedragen aan Duitsland. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.63844

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. D. de Vries),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 29 december 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]
1.2.
Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt apart beslist. [2]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het besluit van de minister in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [3] In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, Dublinverordening aanvaard.
Beroepsgronden
5. Eiser betoogt dat sprake is van onzorgvuldige besluitvorming en dat de minister hem ten onrechte wenst over te dragen aan Duitsland. Ter onderbouwing voert eiser aan dat hij in Duitsland niet in de gelegenheid is gesteld om zijn asielrelaas naar behoren toe te lichten en dat de opvangvoorzieningen daar onvoldoende zijn. Daarnaast vreest eiser dat hij, voordat inhoudelijk op zijn asielaanvraag wordt beslist, zal worden teruggestuurd naar Algerije, dat volgens hem niet als veilig kan worden aangemerkt. Verder stelt eiser dat onduidelijk is wat met zijn eerdere asielaanvraag in Duitsland is gebeurd en dat de minister daarnaar nader onderzoek had moeten verrichten.
Oordeel van de rechtbank
5.1.
Voor zover eiser stelt dat ten aanzien van Duitsland niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, overweegt de rechtbank dat de minister er in het algemeen van mag uitgaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen nakomt. Dit heeft de Afdeling nog bevestigd in haar uitspraak van 14 februari 2025 [4] . Het is daarom aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet-nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het EVRM [5] en artikel 4 van Pro het Handvest [6] strijdige behandeling. Daarvan kan pas sprake zijn als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. [7]
5.2.
Eiser is er niet in geslaagd het voorgaande aannemelijk te maken. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat enkel de verklaringen van eiser over wat hij heeft meegemaakt in Duitsland hiervoor onvoldoende zijn. Eiser heeft dit niet met stukken onderbouwd. Bovendien hebben de Duitse autoriteiten het terugnameverzoek geaccepteerd en daarbij gegarandeerd dat de asielaanvraag van eiser in behandeling wordt genomen overeenkomstig de internationale verplichtingen. Mocht eiser worden geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van zijn asielaanvraag, dan ligt het op zijn weg hierover bij de (hogere) Duitse autoriteiten te klagen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat klagen bij de Duitse autoriteiten onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.
5.3.
Omdat de minister heeft mogen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland, komt de rechtbank niet meer toe aan een beoordeling van de beroepsgrond over indirect refoulement als gevolg van het verschil in beschermingsbeleid. [8]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser mag worden overgedragen aan Duitsland. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
2.Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer: NL25.63845.
3.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
5.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
6.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
7.Zie het Jawo-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.
8.Zie ook de uitspraak van het Hof van Justitie van 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934.