Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9625

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
NL26.11725 en NL26.11726
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 17 DublinverordeningArt. 8:54 AwbArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Kroatië

Eiser, met de Jordaanse nationaliteit, diende een asielaanvraag in die door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling werd genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag. Eiser betwist dit en voert aan dat hij nooit asiel in Kroatië heeft aangevraagd en dat hij gedwongen werd vingerafdrukken af te geven. Tevens stelt hij dat de toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening onjuist is.

De rechtbank oordeelt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, waarbij mag worden uitgegaan van de naleving van verdragsverplichtingen door Kroatië. Eiser slaagt er niet in aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro. Ook is niet gebleken van ernstige tekortkomingen in het Kroatische asiel- en opvangsysteem.

De rechtbank wijst erop dat klachten over het afnemen van vingerafdrukken bij de Kroatische autoriteiten moeten worden ingediend. De wijze waarop de minister artikel 17 van Pro de Dublinverordening toepast, is niet in strijd met het Unierecht. Het beroep wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.11725 en NL26.11726
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser], [V-nummer], eiser en verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 3 maart 2026 niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. [1] Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Jordaanse nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1990 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en stelt dat ten aanzien niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser voert aan dat hij persisteert bij hetgeen door hem in de voorfase is gesteld en vermeld. Daarnaast stelt eiser dat hij nooit asiel in Kroatië heeft aangevraagd en werd gedwongen om zijn vingerafdrukken af te geven. Tot slot voert eiser aan dat de toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening wordt beheerst door het Unierecht. De invulling die verweerder daaraan geeft in de zin dat sprake moet zijn van onevenredige hardheid is echter een nationaalrechtelijke maatstaf. Zonder nadere uitleg valt niet in te zien hoe dit zich tot elkaar verhoudt en of de wijze waarop verweerder de bepaling invult in overeenstemming is met het Unierecht.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser eerder in de procedure naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom zich de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.
6. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen, waaronder de Opvangrichtlijn, tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan een van deze lidstaten, in dit geval Kroatië, een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van Pro het EVRM [2] of artikel 4 van Pro het Handvest. [3]
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd om het voorgaande aannemelijk te maken. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft reeds bevestigd dat ten aanzien van Kroatië mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [4] Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat de Kroatische autoriteiten hun verdragsverplichtingen jegens hem niet zullen nakomen en dat bij terugkeer een situatie zal ontstaan die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. Ook is niet gebleken van ernstige, structurele tekortkomingen in het asielsysteem of de opvangvoorzieningen.
7. Kroatië is op grond van de Eurodac-verordening verplicht om illegale vreemdelingen die het grondgebied van de lidstaten binnenkomen te registreren. Voor zover eiser stelt dat de Kroatische autoriteiten hem hebben gedwongen vingerafdrukken af te leggen en dat eiser beweert nooit asiel te hebben aangevraagd of wilde vragen, ligt het op zijn weg om hierover te klagen bij de Kroatische autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat klagen bij de (hogere) Kroatische autoriteiten voor hem onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.
8. In artikel 17 van Pro de Dublinverordening heeft de Uniewetgever bewust geen inhoudelijke normen of criteria gegeven voor de toepassing daarvan. Het artikel geeft de lidstaten alleen de bevoegdheid om in het geval zij op grond van de overige bepalingen van de Verordening niet gehouden zijn een verzoek om internationale bescherming te behandelen, dit toch te doen als zij dat wenselijk achten. Daarmee geeft de Uniewetgever de lidstaten de ruimte om in het nationale recht desgewenst situaties aan te wijzen waarin van deze bevoegdheid gebruik wordt gemaakt. De wijze waarop verweerder dit heeft vormgegeven in de door eiser genoemde passage uit de Vreemdelingencirculaire en met het begrip onevenredige hardheid, is daarom op zichzelf niet in strijd met het Unierecht. Eiser heeft verder niet gesteld om welke reden de toepassing van dit criterium in deze zaak desalniettemin strijd oplevert met het Unierecht. Hierin kan dan ook geen aanleiding worden gevonden voor vernietiging van het bestreden besluit.

Conclusie en gevolgen

9. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
10. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [5] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
11. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van M. Ramdihal, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
4.Zie de uitspraken van de Afdeling van 10 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5076 en 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3901.
5.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.