ECLI:NL:RBDHA:2026:9625
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Kroatië
Eiser, met de Jordaanse nationaliteit, diende een asielaanvraag in die door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling werd genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag. Eiser betwist dit en voert aan dat hij nooit asiel in Kroatië heeft aangevraagd en dat hij gedwongen werd vingerafdrukken af te geven. Tevens stelt hij dat de toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening onjuist is.
De rechtbank oordeelt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, waarbij mag worden uitgegaan van de naleving van verdragsverplichtingen door Kroatië. Eiser slaagt er niet in aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro. Ook is niet gebleken van ernstige tekortkomingen in het Kroatische asiel- en opvangsysteem.
De rechtbank wijst erop dat klachten over het afnemen van vingerafdrukken bij de Kroatische autoriteiten moeten worden ingediend. De wijze waarop de minister artikel 17 van Pro de Dublinverordening toepast, is niet in strijd met het Unierecht. Het beroep wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.