Eiser, van Algerijnse nationaliteit, verbleef reeds 154 dagen in vreemdelingenbewaring toen op 18 februari 2026 een nieuwe bewaringsmaatregel werd opgelegd. De rechtbank oordeelt dat na 26 dagen de maximale termijn van zes maanden was bereikt, waarna een verlengingsbesluit had moeten worden genomen. Dit is niet gebeurd, waardoor de voortzetting van de maatregel vanaf 16 maart 2026 onrechtmatig is.
De rechtbank toetst de rechtmatigheid van de bewaring tussen 3 maart 2026 en 16 maart 2026 en concludeert dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld in het terugkeerproces, ondanks het ontbreken van reisdocumenten en de lopende laissez-passer aanvraag. Er was geen zichtbare reden om een lichter middel toe te passen.
De rechtbank beveelt de onmiddellijke opheffing van de maatregel, gelast de invrijheidstelling van eiser en kent een schadevergoeding toe van €4.560 voor 38 dagen onrechtmatige vrijheidsontneming. Tevens worden de proceskosten van €934 aan verweerder opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.