Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Verzoek om stukken
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Pakistaanse vreemdeling, werd op 9 april 2026 in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De bewaring werd op 13 april 2026 opgeheven, waardoor de beoordeling zich beperkte tot de vraag of de tenuitvoerlegging onrechtmatig was geweest.
De rechtbank constateerde dat de machtiging tot binnentreden was gewijzigd door een bevoegde Hulpofficier van Justitie, waardoor het binnentreden rechtmatig was. Wel was de staandehouding op een onjuiste grondslag verricht, maar dit gebrek werd niet als onrechtmatig beoordeeld omdat eiser geen aantoonbare schade of zwaarwegende belangen had gesteld. De rechtbank oordeelde dat het risico op onttrekking aan het toezicht voldoende was onderbouwd en dat een lichter middel niet doeltreffend was.
Eiser voerde ook aan dat de maatregel in strijd was met de artikelen 3 en 8 EVRM vanwege zijn relatie met een hoogzwangere vriendin, maar de rechtbank vond geen aanleiding om hiervan uit te gaan. De ambtshalve toetsing leidde tot het oordeel dat de maatregel niet onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Wel werd verweerder veroordeeld in de proceskosten wegens een gebrek in het voortraject.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen, maar de staat wordt veroordeeld in de proceskosten.