Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9693

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
SGR 24/3894
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.12 WaboArt. 4 BorArt. 3.1 bestemmingsplanArt. 3.4 bestemmingsplanArt. 2.1 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling omgevingsvergunning tijdelijke huisvesting Oekraïense vluchtelingen op bedrijventerrein

De zaak betreft het beroep van omwonenden tegen de verlening van een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een tijdelijk woongebouw met maximaal 44 woonunits op een bedrijventerrein, bestemd voor de huisvesting van 132 Oekraïense vluchtelingen voor drie jaar. Eisers, eigenaren van omliggende bedrijven, maken bezwaar tegen het besluit vanwege mogelijke belemmeringen in de bedrijfsvoering, parkeerproblemen, verkeersveiligheid en de afgebakende doelgroep.

De rechtbank oordeelt dat twee eisers geen procesbelang meer hebben omdat hun bedrijven niet meer op de locatie gevestigd zijn, waardoor hun beroep niet-ontvankelijk is. De overige tien beroepen worden inhoudelijk beoordeeld en ongegrond verklaard. De rechtbank stelt vast dat het college bevoegd was om af te wijken van het bestemmingsplan en dat de verleende vergunning voldoet aan de beleidsregels voor kruimelgevallen.

De rechtbank vindt dat de vergunning voor een afgebakende doelgroep niet in strijd is met het recht, mede omdat de gemeente als eigenaar kan bepalen wie er woont. De bezwaren over geluid en bedrijfsvoering worden verworpen op basis van representatieve onderzoeken en maatwerkvoorschriften. Ook de parkeerberekeningen en verkeersveiligheid zijn voldoende onderbouwd. Alternatieve locaties zijn niet aantoonbaar beter en de termijn van drie jaar is passend gezien de beleidsruimte. Eisers krijgen geen gelijk en worden veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning wordt afgewezen; twee beroepen niet-ontvankelijk, overige tien ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/3894

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2026 in de zaak tussen

1. [eiser 1]

2. [eiser 2]

3. [eiser 3]

4. [eiser 4]

5. [eiser 5]

6. [eiser 6]

7. [eiser 7]

8. [eiser 8]

9. [eiser 9]

10. [eiser 10]

11. [eiser 11] , en

12. [eiser 12]
allen uit [woonplaats] , hierna gezamenlijk te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. M. Woestenenk),
en

het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas

(gemachtigde: mr. L. van Schie-Kooman).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: gemeente Zuidplas, vergunninghoudster.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eisers tegen het besluit van het college om een omgevingsvergunning te verlenen voor het plaatsen van een tijdelijk woongebouw met maximaal 44 woonunits op de locatie [locatie] . Dit woongebouw is bedoeld voor de huisvesting van maximaal 132 Oekraïense vluchtelingen voor de duur van drie jaar. Eisers zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen. Eisers krijgen daarom geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Inleiding en procesverloop

2. Vergunninghoudster heeft op 20 april 2023 een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het plaatsen van een tijdelijk woongebouw met maximaal 44 woonunits op de locatie [locatie] . Dit woongebouw is bedoeld voor de huisvesting van maximaal 132 Oekraïense vluchtelingen voor de duur van drie jaar. De Oekraïense vluchtelingen verbleven eerder in een voormalig bankgebouw in [woonplaats] . Dat gebouw voldeed volgens het college echter niet meer aan de daaraan te stellen eisen en daarom is het college op zoek gegaan naar een nieuwe locatie voor de huisvesting van de 132 Oekraïense vluchtelingen.
2.1.
Met het besluit van 29 juni 2023 (het primaire besluit) heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend. De verleende omgevingsvergunning ziet op de activiteiten ‘bouwen’ [1] en ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’. [2] Het college is daarbij afgeweken van het bestemmingsplan met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo, in samenhang met artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor).
2.2.
Eisers zijn de eigenaren van de omliggende bedrijven en percelen en zij hebben bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, omdat zij zich zorgen maken over de effecten van het bouwplan op de omgeving.
2.3.
Met de uitspraak van 5 september 2023 heeft de voorzieningenrechter het verzoek toegewezen en de omgevingsvergunning geschorst tot vier weken na de bekendmaking van het besluit op bezwaar. [3]
2.4.
Met het bestreden besluit van 25 april 2024 heeft het college, het primaire besluit, onder aanvulling van de motivering, in stand gelaten en hieraan een aantal voorschriften verbonden. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.5.
Met de uitspraak van 12 juni 2024 heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen. [4]
2.6.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Namens eisers zijn [eiser 3] , [eiser 4] , [eiser 6] , bijgestaan door hun gemachtigde, verschenen. Het college heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [naam 1] , [naam 2] (verkeersdeskundige), [naam 3] en [naam 4] (adviseur DGMR). Vergunninghoudster heeft zich doen vertegenwoordigen door [naam 5] en [naam 6] .

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
3.1.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 20 april 2023. Dat betekent dat in deze zaken de Wabo van toepassing blijft.
Hebben eisers [eiser 3] en [eiser 2] procesbelang?
4. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat eisers [eiser 3] en [eiser 2] geen procesbelang meer hebben, omdat hun bedrijven niet meer aan de [straatnaam] zijn gevestigd.
4.1.
Procesbelang is het belang dat een belanghebbende heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat de belanghebbende voor ogen staat, met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de belanghebbende van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft een belanghebbende die opkomt tegen een besluit, belang bij een beoordeling van zijn beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure is komen te vervallen. In dat geval is de bestuursrechter niet geroepen uitspraak te doen uitsluitend vanwege de principiële betekenis daarvan. [5]
4.2.
De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van eisers ter zitting heeft erkend dat de bedrijven van eisers [eiser 3] en [eiser 2] niet meer aan de [straatnaam] zijn gevestigd en dat zij geen gevolgen meer ondervinden van het vergunde bouwplan. Naar het oordeel van de rechtbank is het procesbelang van eisers [eiser 3] en [eiser 2] daarom komen te vervallen. De beroepen van eisers [eiser 3] en [eiser 2] zijn daarom
niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt het beroep van de overige tien eisers aan de hand van de beroepsgronden die zij hebben aangevoerd.
Juridisch kader
5. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] ” (het bestemmingsplan). Op de betrokken locatie rusten – voor zover relevant – de bestemmingen “Bedrijventerrein”, “Groen” en “Verkeer-2”, met de aanduidingen ‘bedrijf tot en met categorie 3.2.’ en ‘maximum bouwhoogte 16 meter’. Deze gronden mogen, behoudens waar bedrijfswoningen zijn toegestaan, niet gebruikt worden ten behoeve van wonen.
5.1.
Op de betrokken locatie geldt verder het bestemmingsplan “Parapluherziening parkeren”. In artikel 3.1 van dit bestemmingsplan is bepaald dat een omgevingsvergunning voor het bouwen, het uitbreiden en/of het wijzigen van de functie van gebouwen en/of gronden slechts wordt verleend indien bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat gelet op de omvang of de bestemming van het gebouw en/of gronden in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van auto's in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.
5.2.
Uit artikel 3.4 van het bestemmingsplan volgt dat bij omgevingsvergunning van artikel 3.1 kan worden afgeweken als het voldoen aan die bepaling door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit of voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte wordt voorzien.
5.3.
Uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo volgt dat voor het bouwen van een bouwwerk en voor het handelen in strijd met de regels van een bestemmingsplan een omgevingsvergunning is vereist. De omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan kan worden verleend als de voorgenomen activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en als voldaan wordt aan de voorwaarden uit het Bor. Uit artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II bij het Bor volgt dat voor de hier bedoelde omgevingsvergunning in aanmerking komt het gebruik van gronden of bouwwerken
– anders dan bedoeld in artikel 4, onderdelen 1 tot en met 10 – voor ten hoogste tien jaar.
5.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Zowel het gebruik van het betrokken perceel als opvanglocatie voor vluchtelingen als het bouwen buiten het bouwvlak zijn in strijd met bestemmingsplan. Het college is afgeweken van het bestemmingsplan met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2o van de Wabo, in samenhang met artikel 4, aanhef en onder 11, van bijlage II van het Bor. Het college hanteert hierbij de Beleidsregels planologische kruimelgevallen gemeente Zuidplas (het kruimelgevallenbeleid). Hierin is in algemene en specifieke regels bepaald waaraan de voorgenomen activiteit moet voldoen om hieraan medewerking te kunnen verlenen. In artikel 3.1 van het kruimelgevallenbeleid is onder meer het volgende bepaald:
a. De belangen van gebruikers en/of eigenaren van omliggende gronden mogen niet onevenredig worden geschaad;
b. Er mag geen inbreuk op bestaande planologische mogelijkheden plaatsvinden;
c. Vanuit het oogpunt van milieu mag geen onaanvaardbare situatie ontstaan. Zo moet rekening worden gehouden met milieurechten van bedrijven en moet andersom worden voldaan aan de richtafstanden van milieubelastende functies ten opzichte van milieugevoelige functies;
d. (…);
e. Het verzoek moet voldoen aan het gemeentelijke parkeerbeleid zoals dit geldt op het moment van de aanvraag, tenzij dit tot onevenredige belemmeringen leidt, waarbij gemotiveerd kan worden afgeweken;
f. De verkeersveiligheid moet gewaarborgd blijven.
5.5.
Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de gronden van het verzoek of het besluit in overeenstemming is met het recht, waaronder de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen. [6]
Doelgroep
6. Eisers betogen dat met het bestreden besluit ten onrechte een omgevingsvergunning is verleend voor een afgebakende doelgroep, namelijk Oekraïense vluchtelingen. Eisers voeren hiertoe aan dat het niet is toegestaan om een omgevingsvergunning te verlenen voor een afgebakende groep, omdat dit ruimtelijk niet relevant is. Eisers wijzen hierbij op vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) waaruit volgt dat een bestemmingsplan geen regels mag bevatten die een verbod inhouden op het gebruik van een woning door personen buiten een doelgroep, omdat dit zou leiden tot een niet ruimtelijk relevant onderscheid. [7] Eisers vrezen er in dit licht voor dat de woonunits in de toekomst ook door andere doelgroepen kunnen worden bewoond.
6.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de verleende omgevingsvergunning niet het karakter heeft om publiekrechtelijk enkel gebruik door Oekraïners toe te staan. Dat doet er volgens het college niet aan af dat wel voor een doelgroep mag worden gebouwd, waarbij geldt dat de gemeente, in de hoedanigheid van vergunninghoudster en eigenaar van de locatie, zelf kan bepalen dat het tijdelijke woongebouw enkel door Oekraïners zal worden bewoond.
6.2.
De rechtbank overweegt als volgt. De door eisers aangehaalde rechtspraak heeft betrekking op een in een bestemmingsplan opgenomen verbod om gebruik van een woning door anderen dan een specifieke doelgroep mogelijk te maken. De nu voorliggende omgevingsvergunning voorziet, in afwijking van het bestemmingsplan, in de mogelijkheid van tijdelijke huisvesting voor een specifieke doelgroep ontheemden (Oekraïense vluchtelingen). Een omgevingsvergunning die is toegesneden op een specifieke doelgroep is niet gelijk te stellen met een bestemmingsplan waarin een verbodsbepaling is opgenomen met betrekking tot gebruik anders dan door de doelgroep. [8] Verder onderschrijft de rechtbank het standpunt van het college dat relevant is dat de gemeente zowel vergunninghoudster als eigenaar van de locatie is, omdat zij daarmee kan bepalen wie in de woonunits komt te wonen. De rechtbank ziet niet in dat deze inzet van het eigendomsrecht van de gemeente – zoals eiseres stelt – misbruik van bevoegdheid door het college oplevert. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee voldoende verzekerd en handhaafbaar dat de vergunde woonunits enkel voor de in de aanvraag genoemde doelgroep zullen worden gebruikt en niet voor bewoning door anderen.
6.3.
Ter zitting is verder gebleken dat alleen het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde parkeeronderzoek is toegesneden op de doelgroep Oekraïense vluchtelingen. Of het college zich op basis van het parkeeronderzoek op het standpunt heeft mogen stellen dat in voldoende parkeerplaatsen wordt voorzien, zal de rechtbank onder het kopje ‘parkeren’ bespreken.
6.4.
Het betoog slaagt niet.
Mogelijke belemmering in de bedrijfsvoering
7. Eisers betogen dat de tijdelijke huisvesting niet inpasbaar is op de beoogde locatie, omdat de geluidsbelasting op de woningen veel hoger zal zijn dan wettelijk toegestaan. Eisers verwijzen naar contra-expertises, die zij hebben laten opstellen door AV-consulting, waarin wordt geconcludeerd dat het college er ten onrechte van is uitgegaan dat sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat de omliggende bedrijven niet beperkt zullen worden in hun bedrijfsvoering. Volgens AV-consulting is niet uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden van de percelen op het bedrijventerrein. Verder betogen eisers dat in het bestreden besluit ten onrechte rekening is gehouden met aan eisers op te leggen maatwerkvoorschriften voor geluid. Dat is volgens hen in strijd met de rechtszekerheid en niet in overeenstemming met het oogmerk van maatwerkvoorschriften. Dat oogmerk is het voorkomen van geluidhinder in plaats van het mogelijk maken van geluidhinder. Volgens eisers is daarom sprake van strijd met een goede ruimtelijke ordening en had de omgevingsvergunning geweigerd moeten worden.
7.1.
Evenals de voorzieningenrechter ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het college zich niet heeft mogen baseren op de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde onderzoeken over het woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde tijdelijke woonunits, waaronder de memo van Aveco de Bondt van 21 december 2023. De rechtbank overweegt met de voorzieningenrechter dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bij de beoordeling van het woon- en leefklimaat moet worden uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden op de percelen van de betrokken bedrijven. Daarbij dienen ook de redelijkerwijs te voorziene ontwikkelingen van deze bedrijven te worden betrokken. [9] De rechtbank kan het college erin volgen dat het onderzoek van Aveco de Bondt is gebaseerd op een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. Dit onderzoek heeft plaatsgevonden aan de hand van gegevens die bij het college bekend zijn over de op het bedrijventerrein gevestigde bedrijven. Daarbij is ook rekening gehouden met de verwachte uitbreidingsplannen van de bedrijven binnen drie jaar. De contra-expertises van AV-consulting geven geen aanleiding voor een ander oordeel. Naar eisers niet hebben betwist, wordt in deze contra-expertises uitgegaan van een planologische invulling van het bedrijventerrein, die inhoudt dat dit (nagenoeg) volledig wordt gevuld met bedrijven uit categorie 3.2 van de staat van bedrijfsactiviteiten bij het bestemmingsplan. De rechtbank volgt het college in het standpunt dat dit geen representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden is, omdat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nagenoeg uitsluitend bedrijven in de categorieën 1 en 2 aanwezig waren. Eisers hebben hun stelling dat op dat moment sprake was van mogelijke vestiging van bedrijven in categorie 3.2, die daarvan vervolgens hebben afgezien, niet concreet gemaakt. De rechtbank ziet daarom geen grond voor het oordeel dat mogelijke vestiging van bedrijven in categorie 3.2 onvoldoende is betrokken in de door het college beschouwde representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden.
7.2.
De rechtbank overweegt verder dat het college ter zitting onweersproken heeft gesteld dat bij de maatwerkvoorschriften rekening is gehouden met de vestiging van bedrijven uit categorie 3.2 van de staat van bedrijfsactiviteiten bij het bestemmingsplan, zodat in zoverre ook rekening is gehouden met de maximale planologische mogelijkheden op de omliggende percelen.
7.3.
De rechtbank volgt eisers niet in het betoog dat voorgenomen maatwerkvoorschriften niet bij de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het bouwplan hadden mogen worden betrokken, omdat dit in strijd is met de rechtszekerheid en niet overeenkomstig de strekking van maatwerkvoorschriften is. De rechtbank acht het meewegen van voorgenomen maatwerkbesluiten niet in strijd met de rechtszekerheid, omdat niet is gebleken dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit moest worden getwijfeld aan de haalbaarheid van het opleggen van maatwerkvoorschriften. Ook ziet de rechtbank niet in dat maatwerkvoorschriften, vanwege het oogmerk daarvan, niet zouden mogen worden betrokken bij de beoordeling of een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de tijdelijke woonunits kan worden gewaarborgd. De maatwerkvoorschriften zijn ook niet in het nadeel van eisers of van partijen die zich op het bedrijventerrein willen vestigen, omdat die voorzien in ruimere geluidsnormen op de gevel van de woonunits.
7.4.
Het college heeft de stelling van eisers dat de in de omgevingsvergunning voorgeschreven geluidwerende voorzieningen aan de gevel (SilentAir) niet het beoogde effect zullen hebben, gemotiveerd betwist. Het college wijst daarbij ook op geluidsmetingen die tijdens de bouw zijn verricht en waaruit blijkt dat de vereiste geluidwering wordt behaald. Eisers hebben daar geen andersluidende bevindingen tegenovergesteld. Voor zover eisers betogen dat het college de geluidwerende voorzieningen niet bij de beoordeling van de akoestische situatie had mogen betrekken, slaagt dit niet.
7.5.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat het gebruik van de woonunits ruimtelijk inpasbaar is en dat eisers daardoor niet worden beperkt in hun bedrijfsvoering.
7.6.
Het betoog slaagt niet.
Parkeren
8. Eisers betogen dat de uitgevoerde parkeerberekeningen onjuist en onvolledig zijn. Volgens eisers gaat het college uit van een te beperkt aantal benodigde parkeerplaatsen en moet, nu realisatie van voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein niet mogelijk is, gevreesd worden voor parkeeroverlast.
8.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat 33 parkeerplaatsen nodig zijn. Volgens het college kunnen niet alle benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd, maar kunnen er extra openbare parkeerplaatsen aangelegd en is daarnaast op acceptabele loopafstand voldoende parkeergelegenheid beschikbaar. Het college heeft hierin aanleiding gezien om af te wijken van het vereiste dat een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit pas verleend kan worden als voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Het college heeft er verder op gewezen dat er sinds de ingebruikname van de woonunits geen klachten over parkeeroverlast zijn ontvangen.
8.2.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de parkeerplaatsen niet volledig op eigen terrein gerealiseerd kunnen worden. Verder is niet in geschil dat de toepasselijke “Nota Parkeernormen 2019 gemeente Zuidplas” (de Parkeernota) geen parkeernorm bevat voor de functie vluchtelingenopvang.
8.3.
De rechtbank stelt verder vast dat aan het bestreden besluit een rapport van Commeo mobiliteit (Commeo) van 29 september 2023 ten grondslag ligt. Uit dit rapport volgt dat ontheemden een specifieke doelgroep vormen, waarvoor het vaststellen van een eigen parkeernorm aangewezen kan zijn. Dit vindt volgens Commeo bevestiging in navraag bij een aantal andere gemeenten, die voor ontheemden een parkeernorm van 0,3 - 0,5 per woonunit hanteren of uitgaan van een parkeernorm per aantal vluchtelingen. Als wordt gekeken naar de specifieke groep Oekraïense vluchtelingen waarvoor het tijdelijke woongebouw bedoeld is, dan is volgens Commeo een parkeernorm van 0,75 per woonunit aangewezen. Commeo wijst erop dat sprake is van een bijzondere doelgroep, die niet goed past binnen de parkeernorm voor de functie ‘wonen’. Volgens Commeo zijn op basis van de lagere parkeernorm van 0,75 per woonunit voldoende parkeerplaatsen in openbaar gebied beschikbaar om te voorzien in de parkeerbehoefte. In een aanvullend rapport van 17 november 2023 is Commeo ingegaan op een door eisers overgelegd rapport van adviesbureau Spark van 25 oktober 2023 en daarbij is zij gebleven bij haar eerdere bevindingen.
8.4.
Met de voorzieningenrechter is de rechtbank van oordeel dat het college zich onder verwijzing naar de rapportage van Commeo van 29 september 2023 op het standpunt heeft kunnen stellen dat vanwege de beoogde doelgroep aanleiding bestaat om een andere parkeernorm te hanteren dan de parkeernorm die past bij de functie ‘wonen’. In deze rapportage is toegelicht dat bij het vaststellen van de afwijkende parkeernorm niet kon worden uitgegaan van een reeds bestaand kencijfer, omdat ontheemden een specifieke doelgroep vormen, waarvoor nog geen kencijfer is vastgesteld. Het college heeft daarom aan de hand van interviews met de Oekraïense vluchtelingen en op basis van overleg met andere gemeentes zelf een parkeernorm vastgesteld, waarbij volgens de verkeersdeskundige van het college van een hogere parkeernorm is uitgegaan dan in andere gemeenten. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat door deze werkwijze een onjuiste inschatting is gemaakt van het auto- en rijbewijsbezit van de beoogde bewoners, althans dat de gekozen parkeernorm van 0,75 niet passend is.
8.5.
Eisers betogen verder onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2023, dat het aanzienlijk verlagen van de parkeernorm (en niet van het kencijfer) alleen mogelijk is in een bijzondere situatie. In dit betoog ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het college van een onjuiste parkeernorm is uitgegaan. Daartoe overweegt de rechtbank dat het college op zitting heeft toegelicht dat er geen CROW-kencijfer is voor parkeren bij opvang van ontheemden. Gelet daarop kan de rechtbank het college erin volgen dat een parkeernorm is gehanteerd die afwijkt van de parkeernorm voor wonen.
8.6.
Met de voorzieningenrechter overweegt de rechtbank verder dat Commeo, op basis van de resultaten van een verkeersonderzoek van DataCount van 28 september 2023, inzichtelijk heeft toegelicht dat binnen de acht onderscheiden parkeergebieden die zich binnen een loopafstand van 150 meter van het bouwplan bevinden, een toekomstige restcapaciteit bestaat van 55 parkeerplaatsen. In hetgeen eisers hiertegen hebben aangevoerd, aan de hand van een contra-expertise uitgevoerd door Spark, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet mocht baseren op het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende onderzoek van Commeo. De rechtbank overweegt hiertoe met de voorzieningenrechter dat de contra-expertise van Spark is gebaseerd op het uitgangspunt dat de parkeernormen van de Parkeernota onverkort toegepast hadden moeten worden, waardoor een parkeervraag van 57 parkeerplaatsen zou ontstaan. Verder is de rechtbank, mede gelet op de aanvullende notitie van Commeo van 17 november 2023, van oordeel dat eisers niet concreet hebben gemaakt dat de bevindingen van DataCount een onjuist beeld geven van beschikbare parkeergelegenheid in openbaar gebied.
8.7.
Het betoog slaagt niet.
Verkeersveiligheid
9. Eisers betogen dat het college heeft miskend dat in de huidige situatie sprake is van een verkeersonveilige situatie in de wijk en dat het bouwplan deze situatie verder zal verslechteren. Eisers voeren hiertoe aan dat sprake zal zijn van een toename van het aantal verkeersbewegingen met circa 200 motorvoertuigen per etmaal. In het licht van de huidige circa 1.200 respectievelijk 900 motorvoertuigen per etmaal, zoals die blijken uit het memo veerkeerstellingen van 6 februari 2023, is de toename in verkeersbewegingen volgens eisers substantieel. Eisers hebben ter onderbouwing van dit betoog notities van VAGN van 26 oktober 2023 en 26 januari 2024 overgelegd.
9.1.
Met de voorzieningenrechter is de rechtbank van oordeel dat het college zijn standpunt over verkeersveiligheid heeft mogen baseren op het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende onderzoek van Commeo van 17 november 2023. De rechtbank overweegt daartoe dat uit het onderzoeksrapport van Commeo volgt dat het college meerdere concrete maatregelen heeft getroffen om de verkeersveiligheid op het bedrijventerrein te waarborgen, waaronder een nadere aanduiding van 30-km zone. In dit rapport wordt ook ingegaan op de aandachtspunten die VAGN in haar notitie van 26 oktober 2023 heeft benoemd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Commeo in haar rapport voldoende uiteengezet dat op het bedrijventerrein geen onaanvaardbare situatie met betrekking tot de verkeersveiligheid zal ontstaan. In de door eisers overgelegde notities van VAGN ziet de rechtbank evenals de voorzieningenrechter geen aanknopingspunt voor een ander oordeel. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in de notitie van VAGN van 26 januari 2024 wordt uitgegaan van verkeerskundige gevolgen bij een maximale planologische invulling van het bedrijventerrein, in plaats van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden.
9.2.
Het betoog slaagt niet.
Alternatieve locaties
10. Volgens eisers is een locatie aan de Hoofdweg een geschikte alternatieve locatie voor de huisvesting van Oekraïners. Zij betogen dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld door deze locatie, in strijd met de daarvoor geldende jurisprudentie, niet nader te onderzoeken.
10.1.
De rechtbank overweegt dat indien een project op zichzelf aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven slechts dan noopt tot het onthouden van medewerking, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van één of meerdere alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Dit volgt uit vaste rechtspraak. [10] Het college heeft over de aangedragen alternatieve locatie onder meer gewezen op het feit dat deze niet in eigendom van de gemeente is en dat deze vanwege de ligging nabij een hoogspanningsleiding tot gezondheidsrisico’s kan leiden. Gelet op deze kanttekeningen is de rechtbank van oordeel dat het college zich op goede gronden op het standpunt stelt dat met het aangedragen alternatief geen gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren kan worden bereikt. Uit de door eisers gestelde omstandigheid dat bestaande woningen zich in de nabijheid van hoogspanningsleidingen bevinden, volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat nabijheid van hoogspanningsleidingen geen relevant aandachtspunt is bij het bouwen van nieuwe woningen, zoals de tijdelijke woonunits. In verband met het voorgaande ziet de rechtbank ook geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college meer onderzoek had moeten doen naar het door eisers aangedragen alternatief.
Termijn
11. Eisers betogen dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en niet voorzien is van een deugdelijke motivering, omdat is gekozen voor een korte termijn van drie jaar terwijl onduidelijk is hoe lang de huisvesting van Oekraïense vluchtelingen nodig zal zijn. Eisers vrezen dat de huisvesting ook na de termijn van drie jaar zal blijven bestaan, terwijl het college juist waarde lijkt te hechten het feit dat de vergunde situatie slechts van korte duur is.
11.1.
De rechtbank stelt voorop dat na afloop van de huidige verleende omgevingsvergunning een hernieuwde afweging nodig zal zijn met betrekking tot het mogelijk verlengen van de omgevingsvergunning.
11.2.
De rechtbank begrijpt het standpunt van eisers dat het meer zekerheid biedt om een langere termijn dan drie jaar aan een tijdelijke omgevingsvergunning te verbinden, als voorzienbaar is dat er na drie jaar nog behoefte zal zijn aan deze opvanglocatie. Het op zitting door het college ingenomen standpunt dat het vergunnen van een termijn van drie jaar als voordeel heeft dat na ommekomst van die periode een nieuwe afweging moet worden over de ruimtelijke inpasbaarheid van de opvang, acht de rechtbank evenwel ook navolgbaar. In geval van een omgevingsvergunning voor een opvolgende periode, zal de representatieve invulling van de maximale planologische situatie naar dat moment in de beoordeling moet worden betrokken. Gelet hierop en gelet op de aan het college toekomende beleidsruimte bij het nemen van een besluit tot afwijking van het bestemmingsplan, ziet de rechtbank geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college de omgevingsvergunning niet voor een termijn van drie jaar mocht verlenen.
Groen
12. Eisers hebben hun beroepsgrond dat ten onrechte niet in de omgevingsvergunning is opgenomen dat de groenaanleg moet zijn gerealiseerd voordat het pand in gebruik wordt genomen op zitting ingetrokken. De rechtbank bespreekt deze beroepsgrond daarom niet.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep van eisers [eiser 3] en [eiser 2] is vanwege het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk.
13.1.
Het beroep van de overige tien eisers is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep van [eiser 3] en [eiser 2] niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep van de overige tien eisers ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Klein, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
2.Als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo.
3.Zie de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 5 september 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:14024.
4.Zie de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 12 juni 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:9040.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 8 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2650.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3340.
7.Onder meer de uitspraken van de Afdeling van 4 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2241, en van 28 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:920.
8.Vgl. de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 22 mei 2025,
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1263.
10.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:375.