Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9706

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
NL25.39313
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbParagraaf C2/4.1.2 Vreemdelingencirculaire 2000Paragraaf C2/4.1.2.2 Vreemdelingencirculaire 2000Paragraaf B7/3.8.1 Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken pleegsituatie en afhankelijkheid

Eisers, van Eritrese nationaliteit, hebben een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aangevraagd voor een pleegzoon en een dochter van referente. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvragen af wegens onvoldoende aannemelijkheid van de identiteit en de gezinsband.

De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van een pleegsituatie tussen eiser en referente, omdat op het peilmoment van binnenkomst in Nederland geen feitelijke gezinsband bestond. De beperkte bezoeken en de aanwezigheid van de biologische vader wegen mee in dit oordeel. Voor eiseres concludeert de rechtbank dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen, mede omdat zij professionele hulp in Duitsland ontvangt.

Hoewel de rechtbank erkent dat de belangen van de kinderen van eiseres onvoldoende in het bestreden besluit zijn betrokken, passeert zij dit gebrek omdat dit tijdens de zitting is hersteld. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.39313

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[referente], geboren op [geboortedatum 1] 1980, eiseres/referente (hierna: referente)
[eiseres], V-nummer: [V-nummer 1] , eiseres
[eiser], V-nummer: [V-nummer 2] , eiser
tezamen: eisers
(gemachtigde: mr. J. Hemelaar),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. Sanchéz Rhemrev).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvragen voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).
1.1.
Verweerder heeft de aanvraag van eisers met de besluiten van 30 augustus 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 25 juli 2025 op de bezwaren van eisers is verweerder bij de afwijzing van de aanvragen gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referente, de gemachtigde van eisers, A. Salomon als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum 2] 2006. Eiseres is geboren op [geboortedatum 3] 1996. Eisers hebben de Eritrese nationaliteit. Eiser is de gestelde pleegzoon van referente en eiseres is de gestelde dochter van referente. Referente heeft namens eiser een aanvraag ingediend voor een mvv in het kader van nareis. Referente stelt dat zij tussen 2013 en 2019 voor eiser heeft gezorgd omdat eisers biologische moeder is overleden. Referente heeft namens eiseres een mvv aangevraagd voor verblijf bij referente. Referente stelt dat eiseres afhankelijk is van haar, omdat eiseres psychische klachten heeft door een gewelddadige en traumatische relatie met haar ex-partner en de gedwongen scheiding.
2.1.
Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen, omdat zijn identiteit niet aannemelijk is gemaakt. Verweerder is niet overgegaan tot nader onderzoek om zijn identiteit vast te stellen, omdat er geen sprake is van een pleegsituatie tussen eiser en referente. Volgens verweerder heeft referente eiser enige tijd verzorgd na het overlijden van zijn moeder, maar is deze zorg gezien keuzes van referente de feitelijke situatie niet gelijk te stellen aan een pleegrelatie.
2.2.
Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat de familierechtelijke relatie tussen eiseres en referente niet aannemelijk is gemaakt. Er is niet overgegaan tot DNA onderzoek om deze vast te stellen omdat er volgens verweerder geen sprake is van familie- en gezinsleven tussen hen.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit en voeren – kort samengevat – het volgende aan. In het algemeen verzoeken eisers al hetgeen zij eerder naar voren hebben gebracht in deze procedure als herhaald en ingelast te beschouwen. Verder stellen eisers dat het bestreden besluit in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en relevante wet- en regelgeving.
3.1.
Eiser voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel, de motiveringsplicht, het verbod van willekeur en het evenredigheidsbeginsel. Verder heeft verweerder volgens eiser ten onrechte heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van een pleegrelatie tussen hem en referente. Zo vindt verweerder ten onrechte de formele omstandigheden in plaats van de feitelijke invulling doorslaggevend, zoals het voortbestaan van het juridisch ouderschap van eisers biologische vader. Ook is de motivering innerlijk tegenstrijdig. Aan de ene kant erkent verweerder dat in Eritrea voogdij veelal informeel wordt overgedragen zonder formele voogdijverklaringen, maar aan de andere kant wordt het referente verweten dat zij geen formeel bewijs kan overleggen van de overdracht van de zorg. Er is wel sprake van een pleegrelatie tussen eiser en referente, omdat referente na het overlijden van eisers moeder volledig verantwoordelijk werd voor hem. Eisers biologische vader was door zijn militaire dienst in feite afwezig. Dat hij incidenteel contact had met eiser kan niet worden gelijkgesteld met het uitoefenen van voogdij. Ook stelt verweerder ten onrechte dat referente Meron zou hebben achtergelaten toen zij eerst naar [plaats 1] en daarna naar Nederland vertrok. Daarnaast werpt verweerder ten onrechte tegen dat referente eiser niet heeft genoemd tijdens haar aanmeldgehoor, dat zij in de veronderstelling handelde dat ze alleen haar man over mocht laten komen en dat eiser inmiddels meerderjarig is.
3.2.
Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte stelt dat er geen sprake is van familiebanden tussen eiseres en referente, omdat er wel degelijk sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Verweerder heeft de gedwongen scheiding tussen eiseres en referente zwaarder moeten laten wegen. Verder werpt verweerder ten onrechte tegen dat de psychische klachten van eiseres pas na de scheiding zijn ontstaan en dat professionele hulp in Duitsland aanwezig is. Ook heeft verweerder ten onrechte de belangen van de kinderen van eiseres niet betrokken. Daarnaast is het bestreden besluit onevenredig.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
De aanvraag van eiser
Pleegsituatie tussen eiser en referente
5. Referente moet de feitelijke gezinsband tussen haar en eiser op het moment van binnenkomst met documenten en verklaringen te onderbouwen. Verweerder beoordeelt vervolgens of referente met alle overgelegde documenten en/of afgelegde verklaringen, in onderlinge samenhang bezien, de identiteit van de betrokkenen en hun onderlinge gezinsband aannemelijk heeft gemaakt. [1] Bij de beoordeling of een pleegkind feitelijk deel uitmaakt van het gezin van de referent, betrekt de verweerder de identiteit en de familierechtelijke relatie van het pleegkind en zijn/haar biologische ouders, de duur en de reden van de opname van het pleegkind in het gezin van de referent, de (financiële) afhankelijkheid van het pleegkind van de referent, in hoeverre de biologische ouders van het pleegkind in staat zijn voor het pleegkind te zorgen en, als dit aan de orde is, in hoeverre zij betrokken zijn gebleven bij de opvoeding van het pleegkind en of de referent de voogdij over het pleegkind heeft gekregen. [2]
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat er tussen eiser en referente geen sprake is van een pleegsituatie, omdat er geen sprake is van een feitelijke gezinsband. De rechtbank stelt voorop het peilmoment voor de vaststelling of er sprake is van een feitelijke gezinsband het moment is dat referente Nederland binnenkwam. Feiten en omstandigheden van na die datum worden dus niet betrokken in de beoordeling of er sprake is van een feitelijke gezinsband tussen eiser en referent. Zoals tijdens de zitting is besproken, is niet in geschil dat de voogdij niet formeel is vastgelegd omdat dit gebruikelijk is in Eritrea. De gemachtigde van eisers heeft tijdens de zitting aangegeven dat hij zich voor kan stellen dat de voogdij formeel niet is overgegaan op referente omdat eisers vader nog in beeld is. Verweerder heeft dan ook meer waarde mogen hechten aan de feitelijke invulling van de gezinsband. Over de (financiële) afhankelijkheid van eiser en referente heeft verweerder mogen tegenwerpen dat eiser en referent sinds 2015 niet meer samenwonen omdat eiseres er toen voor heeft gekozen om naar een ander dorp, [plaats 1] , te verhuizen. Dit dorp ligt op een halve tot hele dag reizen van [plaats 2] , waar eiser verbleef. Verweerder heeft mogen meewegen dat de invulling van de gezinsband na deze verhuizing beperkt is gebleven, omdat referente eiser ongeveer een keer per maand bezocht. Ook heeft verweerder mogen betrekken dat de zorg over eiser toen voornamelijk bij de buren of derden lag. Daarnaast heeft verweerder mogen meewegen dat eisers biologische vader door zijn werk als militair een minder grote rol had, maar dat hij nog wel in beeld is en dat zijn rol niet helemaal valt uit te sluiten. Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechter mogen concluderen dat alle feiten en omstandigheden samengenomen onvoldoende zijn om te spreken van een pleegsituatie.
De aanvraag van eiseres
Bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referente
6. Verweerder neemt familie- of gezinsleven aan tussen een meerderjarig kind en zijn ouder(s) als er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. [3] Verweerder moet een brede beoordeling maken van de vraag of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, waarin hij alle individuele omstandigheden van het geval betrekt. Elementen zoals samenwoning, de financiële en materiële (praktische) afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen, de mate van emotionele afhankelijkheid en de banden met het land van herkomst moeten, voor zover zij zijn aangevoerd, in die beoordeling een rol spelen. [4]
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referente. Verweerder heeft de omstandigheid dat eiseres en referente tot aan het 14e levensjaar van eiseres hebben samengewoond, zeer beperkt in het voordeel van eiseres mogen betrekken. Verder heeft verweerder mogen tegenwerpen dat niet is gebleken van een financiële afhankelijkheid tussen eiseres en referente. Daarnaast heeft verweerder sterk in het nadeel mogen wegen dat er geen sprake is van medische of praktische afhankelijkheid tussen eiseres en referente. Hierbij heeft verweerder mogen betrekken dat de klachten van eiseres zijn ontstaan toen eiseres al langere tijd niet meer afhankelijk was van referente. Ook heeft verweerder van belang mogen vinden dat eiseres de begeleiding die zij nodig heeft momenteel in Duitsland ontvangt. Uit de doktersverklaring van 15 augustus 2024 blijkt onder meer dat eiseres depressieve klachten heeft en episodes van verminderd reactie vermogen. Verweerder heeft mogen betrekken dat uit de doktersverklaring niet volgt dat eiseres afhankelijk is van referente, omdat eiseres de benodigde behandeling ontvangt in Duitsland. Eiseres heeft in beroep een verklaring van een psycholoog van 11 februari 2026 overgelegd. Hieruit volgt dat onder meer dat eiseres een cognitieve beperking heeft en momenteel met haar kinderen in een begeleide woonvorm woont, waar zij dagelijks veel ondersteuning krijgt. Verweerder heeft tijdens de zitting terecht toegelicht dat uit de verklaring van de psycholoog niet volgt dat de behandeling van referente onmisbaar is. Hoewel uit de verklaring wel volgt dat het voor eiseres fijn is dat referente haar kan ondersteunen en dat zij daar baat bij heeft, wordt dit in de verklaring omschreven als een aanvulling op de professionele zorg die op dit moment al wordt geboden. Verder heeft verweerder over de emotionele afhankelijkheid mogen betrekken dat eiseres kampt met mentale problematiek, maar dat dit niet zonder meer maakt dat er sprake is van een bijzondere emotionele afhankelijkheid. Referente komt bij eiseres op bezoek en wisselt dit af met andere gezinsleden. In het geval van eiseres is van belang dat haar klachten pas zijn ontstaan nadat zij een zelfstandig leven zonder referente heeft opgebouwd en zich op de manier hoe het nu gaat – weliswaar met de nodige uitdagingen – kan redden.
De belangen van de kinderen van eiseres
7. De rechtbank is het met eiser eens dat verweerder de belangen van de kinderen van eiseres onvoldoende in het bestreden besluit heeft betrokken. In het bestreden besluit heeft verweerder alleen betrokken dat eiseres ondersteuning krijgt bij de opvoeding van haar kinderen en dat het onwaarschijnlijk is dat haar kinderen in Duitsland een hoger risico lopen dan in Nederland. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek te passeren. [5] Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit gebrek namelijk op de zitting voldoende hersteld. Tijdens de zitting heeft verweerder desgevraagd toegelicht dat in het bestreden besluit duidelijker mocht staan dat het in het belang van de kinderen is om bij hun moeder te blijven. Uit de overgelegde stukken blijkt volgens verweerder namelijk niet dat de moeder helemaal niet in staat is om voor hen te zorgen, omdat zij de hierbij wordt ondersteund.
Is het bestreden besluit in strijd met het evenredigheidsbeginsel?
8. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het bestreden besluit is in strijd met het evenredigheidsbeginsel als het besluit voor eiseres en referente gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Eiseres heeft weliswaar omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgens haar volgt dat het besluit onevenredig is, maar heeft niet toegelicht hoe deze omstandigheden zich verhouden tot het met het besluit te dienen doel. Ook tijdens de zitting is op dit punt geen aanvullende toelichting gegeven.
Overige beroepsgronden van eisers
9. De rechtbank ziet in de overige beroepsgronden van eisers geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen. De rechtbank kan uit het in algemene herhalen en inlassen van wat eisers eerder in deze procedure naar voren hebben gebracht niet afleiden waarom eisers van mening zijn dat het bestreden besluit onjuist is. Hetzelfde geldt voor de algemene stelling dat het bestreden besluit in strijd is met relevante wet- en regelgeving en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel, de motiveringsplicht, het verbod van willekeur en het evenredigheidsbeginsel.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
11. In het geconstateerde motiveringsgebrek ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1868,-. [6] Ook moet verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 194,- aan eisers vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1868,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eisers moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Paragraaf C2/4.1.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
2.Paragraaf C2/4.1.2.2. van de Vc.
3.Op grond van paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
4.Zie de uitspraak van de hoogste bestuursrechter, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, onder 4 tot en met 5.4.
5.Met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (de Awb).
6.1 punt voor het verschijnen op de zitting en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.