Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9708

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
NL25.51990
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 8.12 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 8.17 Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen geen duurzaam verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan

Eiser, een Poolse gemeenschapsonderdaan die sinds 2006 in Nederland verblijft, ontvangt sinds oktober 2023 een bijstandsuitkering. Verweerder stelde in een besluit vast dat eiser geen rechtmatig verblijf had als gemeenschapsonderdaan vanwege onvoldoende bewijs van een ononderbroken verblijf van vijf jaar. In bezwaar werd vastgesteld dat eiser wel rechtmatig verblijf had, maar geen duurzaam verblijfsrecht.

Eiser voerde aan dat hij wel rechtmatig verblijf had als economisch actieve of niet-actieve Unieburger en dat verweerder hem had moeten horen. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht concludeerde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij voor 2022 rechtmatig verblijf had, mede vanwege het ontbreken van belastingaangiften en onvoldoende bewijs van daadwerkelijke inkomsten.

Hoewel verweerder een motiveringsgebrek had door niet te beoordelen of eiser economisch niet-actief was, werd dit gebrek gepasseerd omdat verweerder dit tijdens de zitting had toegelicht. De rechtbank vond dat verweerder geen belangenafweging hoefde te maken en dat het horen van eiser niet noodzakelijk was omdat geen andere uitkomst te verwachten was.

Het beroep werd ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand, en verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit dat eiser geen duurzaam verblijfsrecht heeft blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.51990

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. K.J. Kerdel),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. Sanchéz Rhemrev).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de vaststelling dat eiser geen duurzaam verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan heeft.
1.1.
Bij besluit van 25 november 2024 (primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan [1] heeft. Bij het bestreden besluit van 25 september 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit gegrond verklaard en vastgesteld dat eiser wel rechtmatig verblijf heeft als gemeenschapsonderdaan maar dat hij geen duurzaam verblijfsrecht [2] als gemeenschapsonderdaan heeft.
De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, J. Trzcinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1983 en heeft de Poolse nationaliteit. Eiser verblijft naar eigen zeggen sinds 2006 in Nederland. Eiser ontvangt sinds 1 oktober 2023 een bijstandsuitkering.
2.1.
Omdat de bijstandsuitkering de enige geregistreerde inkomensbron van eiser is, heeft verweerder een onderzoek ingesteld naar het rechtmatig verblijf van eiser. Op grond van de bevindingen van dit onderzoek heeft verweerder in het primaire besluit vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft als gemeenschapsonderdaan.
2.2.
Verweerder heeft met het bestreden besluit het bezwaar van eiser gegrond verklaard en vastgesteld dat eiser rechtmatig verblijf heeft als gemeenschapsonderdaan. Verweerder heeft in hetzelfde besluit vastgesteld dat eiser geen duurzaam verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan heeft, omdat niet is gebleken dat eiser een ononderbroken periode van 5 jaar rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad. Het is namelijk niet gebleken dat eiser voor 2022 rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad, omdat hij in 2018 tot en met 2021 geen belastingaangifte heeft gedaan en er van voor 2018 ook geen inkomensgegevens bekend zijn.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Ten eerste is het bestreden besluit in strijd met de wet en het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Ten tweede heeft verweerder ten onrechte geconcludeerd dat eiser geen duurzaam verblijf heeft. Hij heeft namelijk meer dan vijf jaren rechtmatig verblijf gehad als economisch actieve Unie-burger. Verweerder heeft in dit kader niet alle toelichtingen en documenten in de beoordeling betrokken. Als eiser niet kan worden aangemerkt als economisch actieve Unie-burger, dan heeft hij wel meer dan vijf jaren rechtmatig verblijf gehad als economisch niet actieve Unie-burger. Hij heeft in die periode namelijk in zijn eigen onderhoud voorzien. Ten derde had verweerder eiser moeten horen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiser voor 2022 geen rechtmatig verblijf had in Nederland als economisch actieve Unieburger?
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiser voor 2022 geen rechtmatig verblijf had in Nederland als Unieburger. Eiser heeft onvoldoende duidelijkheid gegeven over het inkomen en onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht. Voor zover eiser met de facturen stelt dit aannemelijk te hebben gemaakt, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat hieruit niet blijkt dat eiser daadwerkelijk inkomsten had. Verder heeft verweerder er terecht op gewezen dat uit de overgelegde belastingaanslagen ook niet volgt welke inkomsten eiser daadwerkelijk heeft gehad. De aanslagen bevatten namelijk een schatting omdat ze ambtshalve zijn opgelegd. Eisers stelling dat hij al jaren in Nederland verblijft en nooit eerder aanspraak heeft gemaakt op sociale voorzieningen, maakt niet dat kan worden aangenomen dat hij in de periode voor 2022 voldoende inkomsten heeft gehad.
Heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiser voor 2022 geen rechtmatig verblijf had in Nederland als economisch niet-actieve Unieburger?
6. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet heeft beoordeeld of eiser voor 2022 kan worden aangemerkt als economisch niet actief. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek te passeren. [3] Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit gebrek namelijk tijdens de zitting hersteld. Verweerder heeft voldoende toegelicht dat de omstandigheid dat hij hier al zo veel jaren zou zijn en nooit aanspraak heeft gemaakt op sociale voorzieningen, onvoldoende is om aan te nemen dat eiser aan de voorwaarden voor economisch niet-actieve Unieburger voldoet. Om te kunnen worden aangemerkt als economisch niet actief, moet eiser namelijk voldoen aan het middelenvereiste en niet gebleken is dat eiser hieraan heeft voldaan. Zoals de rechtbank eerder heeft overwogen, zijn de overgelegde facturen, ambtshalve belastingaanslagen en de omstandigheid dat eiser eerder geen beroep heeft gedaan op bijstand, hiervoor onvoldoende.
Had verweerder een belangenafweging moeten maken in het kader van het evenredigheidsbeginsel?
7. Tijdens de zitting heeft eiser aangevoerd dat verweerder ten onrechte niet heeft getoetst of het bestreden besluit evenredig is. Hoewel de rechtbank begrijpt dat het door eisers situatie fijn zou zijn voor hem als duurzaam verblijfsrecht wordt vastgesteld, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het kader van de evenredigheid geen belangenafweging hoefde te maken. Verweerder heeft tijdens de zitting terecht verwezen naar een uitspraak van de hoogste bestuursrechter [4] waaruit volgt dat er alleen een belangenafweging moet worden gemaakt als er een verwijderingsmaatregel wordt opgelegd. [5] Daar is in het geval van eiser geen sprake van.
Had verweerder eiser moeten horen?
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder mocht afzien van het horen van eiser in bezwaar. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder mag slechts van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. [6] Verweerder heeft zich in dit geval in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat van een dergelijke twijfel geen sprake was. Hierbij is van belang dat het gaat om een beoordeling van de feitelijke situatie waarbij verweerder weinig beoordelingsruimte heeft. Eiser heeft in bezwaar wel veel stukken overgelegd, maar verweerder heeft kunnen concluderen dat op basis daarvan niet worden aangetoond dat eiser voor 2022 rechtmatig verblijf had als Unieburger. Ook is van belang dat niet is gebleken dat eiser veel inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover met verweerder heeft gecommuniceerd. De pas tijdens de zitting aangevoerde stelling dat de benodigde stukken wel aan de boekhouder zijn overgelegd, maar dat geen aangifte is gedaan, is hiervoor onvoldoende. Verweerder kon op voorhand concluderen dat in bezwaar geen andere conclusie genomen zou worden dan in het primaire besluit al was gedaan. Een hoorzitting had deze conclusie niet anders gemaakt.
Overige beroepsgrond
9. De rechtbank ziet in de overige beroepsgrond geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen. Uit eisers algemene stelling dat het bestreden besluit in strijd is met de wet en het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel kan de rechtbank namelijk niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
11. In het geconstateerde motiveringsgebrek ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1868,-. [7] Ook moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1868,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
2.Op grond van artikel 8.17 van het Vb.
3.Met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (de Awb).
4.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
5.Uitspraak van de Afdeling van 7 november 2018, r.o. 3.6, ECLI:NL:RVS:2018:3584.
6.Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
7.1 punt voor het verschijnen op de zitting en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.