2.2.Verweerder heeft met het bestreden besluit het bezwaar van eiser gegrond verklaard en vastgesteld dat eiser rechtmatig verblijf heeft als gemeenschapsonderdaan. Verweerder heeft in hetzelfde besluit vastgesteld dat eiser geen duurzaam verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan heeft, omdat niet is gebleken dat eiser een ononderbroken periode van 5 jaar rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad. Het is namelijk niet gebleken dat eiser voor 2022 rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad, omdat hij in 2018 tot en met 2021 geen belastingaangifte heeft gedaan en er van voor 2018 ook geen inkomensgegevens bekend zijn.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Ten eerste is het bestreden besluit in strijd met de wet en het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Ten tweede heeft verweerder ten onrechte geconcludeerd dat eiser geen duurzaam verblijf heeft. Hij heeft namelijk meer dan vijf jaren rechtmatig verblijf gehad als economisch actieve Unie-burger. Verweerder heeft in dit kader niet alle toelichtingen en documenten in de beoordeling betrokken. Als eiser niet kan worden aangemerkt als economisch actieve Unie-burger, dan heeft hij wel meer dan vijf jaren rechtmatig verblijf gehad als economisch niet actieve Unie-burger. Hij heeft in die periode namelijk in zijn eigen onderhoud voorzien. Ten derde had verweerder eiser moeten horen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiser voor 2022 geen rechtmatig verblijf had in Nederland als economisch actieve Unieburger?
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiser voor 2022 geen rechtmatig verblijf had in Nederland als Unieburger. Eiser heeft onvoldoende duidelijkheid gegeven over het inkomen en onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht. Voor zover eiser met de facturen stelt dit aannemelijk te hebben gemaakt, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat hieruit niet blijkt dat eiser daadwerkelijk inkomsten had. Verder heeft verweerder er terecht op gewezen dat uit de overgelegde belastingaanslagen ook niet volgt welke inkomsten eiser daadwerkelijk heeft gehad. De aanslagen bevatten namelijk een schatting omdat ze ambtshalve zijn opgelegd. Eisers stelling dat hij al jaren in Nederland verblijft en nooit eerder aanspraak heeft gemaakt op sociale voorzieningen, maakt niet dat kan worden aangenomen dat hij in de periode voor 2022 voldoende inkomsten heeft gehad.
Heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiser voor 2022 geen rechtmatig verblijf had in Nederland als economisch niet-actieve Unieburger?
6. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet heeft beoordeeld of eiser voor 2022 kan worden aangemerkt als economisch niet actief. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek te passeren.Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit gebrek namelijk tijdens de zitting hersteld. Verweerder heeft voldoende toegelicht dat de omstandigheid dat hij hier al zo veel jaren zou zijn en nooit aanspraak heeft gemaakt op sociale voorzieningen, onvoldoende is om aan te nemen dat eiser aan de voorwaarden voor economisch niet-actieve Unieburger voldoet. Om te kunnen worden aangemerkt als economisch niet actief, moet eiser namelijk voldoen aan het middelenvereiste en niet gebleken is dat eiser hieraan heeft voldaan. Zoals de rechtbank eerder heeft overwogen, zijn de overgelegde facturen, ambtshalve belastingaanslagen en de omstandigheid dat eiser eerder geen beroep heeft gedaan op bijstand, hiervoor onvoldoende.
Had verweerder een belangenafweging moeten maken in het kader van het evenredigheidsbeginsel?
7. Tijdens de zitting heeft eiser aangevoerd dat verweerder ten onrechte niet heeft getoetst of het bestreden besluit evenredig is. Hoewel de rechtbank begrijpt dat het door eisers situatie fijn zou zijn voor hem als duurzaam verblijfsrecht wordt vastgesteld, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het kader van de evenredigheid geen belangenafweging hoefde te maken. Verweerder heeft tijdens de zitting terecht verwezen naar een uitspraak van de hoogste bestuursrechterwaaruit volgt dat er alleen een belangenafweging moet worden gemaakt als er een verwijderingsmaatregel wordt opgelegd.Daar is in het geval van eiser geen sprake van.
Had verweerder eiser moeten horen?
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder mocht afzien van het horen van eiser in bezwaar. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder mag slechts van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden.Verweerder heeft zich in dit geval in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat van een dergelijke twijfel geen sprake was. Hierbij is van belang dat het gaat om een beoordeling van de feitelijke situatie waarbij verweerder weinig beoordelingsruimte heeft. Eiser heeft in bezwaar wel veel stukken overgelegd, maar verweerder heeft kunnen concluderen dat op basis daarvan niet worden aangetoond dat eiser voor 2022 rechtmatig verblijf had als Unieburger. Ook is van belang dat niet is gebleken dat eiser veel inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover met verweerder heeft gecommuniceerd. De pas tijdens de zitting aangevoerde stelling dat de benodigde stukken wel aan de boekhouder zijn overgelegd, maar dat geen aangifte is gedaan, is hiervoor onvoldoende. Verweerder kon op voorhand concluderen dat in bezwaar geen andere conclusie genomen zou worden dan in het primaire besluit al was gedaan. Een hoorzitting had deze conclusie niet anders gemaakt.
9. De rechtbank ziet in de overige beroepsgrond geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen. Uit eisers algemene stelling dat het bestreden besluit in strijd is met de wet en het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel kan de rechtbank namelijk niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is.