Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9714

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
NL26.19120
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 onder a VwArt. 94 lid 2 VwArt. 94 lid 3 VwArt. 106 VwArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring en schadevergoeding

Eiser, van Colombiaanse nationaliteit, werd op 5 april 2026 onderworpen aan een maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59 lid 1 onder Pro a van de Vreemdelingenwet 2000. Tegen dit besluit stelde eiser beroep in, dat tevens werd aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. De minister hief de bewaring op 14 april 2026 op. De rechtbank behandelde het beroep op 16 april 2026, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen, maar schriftelijk hun gronden indienden.

De rechtbank beoordeelde of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was en of eiser recht had op schadevergoeding. De gronden voor de bewaring, waaronder het risico op ontduiking van toezicht en het niet naleven van vertrekverplichtingen, werden niet betwist en geacht voldoende te zijn. De rechtbank oordeelde dat de maatregel duidelijk de wettelijke grondslag en vereisten vermeldde, conform het Mahdi-arrest.

Eiser stelde dat hij geen effectieve rechtsbescherming had ontvangen omdat de bewaring werd opgeheven voordat rechterlijke toetsing plaatsvond en verwees naar het EVRM en het gelijkwaardigheidsbeginsel. De rechtbank verwierp dit, stellende dat de wettelijke termijnen voor behandeling en uitspraak waren nageleefd en dat het unierecht geen strafrechtelijke termijnen voorschrijft voor vreemdelingenbewaring. Eiser was op eigen initiatief naar Colombia vertrokken.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel niet onrechtmatig was en dat eiser effectieve rechtsbescherming had genoten. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.19120

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. J. van Bennekom),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J.P.M. Wuite).

Procesverloop

Bij besluit van 5 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 14 april 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Eiser heeft zijn gronden van beroep schriftelijk ingediend. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding
1. Eiser stelt van Colombiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1986.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

Ten aanzien van de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd

3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. De minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gronden in beginsel voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.
De wettelijke grondslag
5. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring geen opgave doet van de juridische gronden aan de hand waarvan de rechtmatigheid van de vrijheidsbeneming kan worden beoordeeld, waardoor de maatregel volgens eiser niet op een rechtsgeldige juridische grond berust. Eiser wijst hierbij op het arrest Mahdi. [1] Het inlezen van een juridische grond is volgens eiser niet toegestaan.
6. De rechtbank is van oordeel dat het voor eiser voldoende duidelijk is op welke wettelijke vereisten (de zware en lichte gronden) de maatregel van bewaring is gebaseerd nu in de maatregel zowel de wettelijke grondslag van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw als de wettelijke vereisten zijn aangekruist. Uit de uitspraken van de Afdeling [2] van 13 mei 2019 [3] en 25 maart 2020 [4] volgt dat voor de betrokken vreemdeling duidelijk moet blijken dat de gebruikte wettelijke grondslag op hem van toepassing is. Daarvoor is nodig dat in het besluit niet alleen de wettelijke bepaling, maar ook het in deze bepaling gestelde vereiste is of de in deze bepaling gestelde vereisten zijn vermeld. Hierin kan worden volstaan met het aankruisen van de tegengeworpen wettelijke vereisten. Als in de maatregel van bewaring de wettelijke grondslag uit artikel 59 van Pro de Vw en de wettelijke vereisten zijn genoemd, voldoet het besluit voldoet aan het Mahdi-arrest. De beroepsgrond slaagt niet.
Effectieve rechtsbescherming
7. Eiser voert verder aan dat de maatregel van bewaring in strijd is met het arrest Adrar [5] omdat eiser geen effectieve rechtsbescherming heeft gekregen. Eiser is reeds op 14 april 2026 naar Colombia vertrokken vanuit bewaring voordat er een rechterlijke toetsing van de maatregel van bewaring heeft plaatsgevonden. De vrijheidsbeneming op grond van een strafrechtelijke verdenking wordt op grond van artikel 6 van Pro het EVRM binnen drie dagen en 15 uur na ingaan van de vrijheidsbeneming door een rechter beoordeeld en volgens eiser moet de vrijheidsontneming op grond van de huidige maatregel binnen dezelfde tijdspanne worden beoordeeld omdat het unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel dat waarborgt. In de maatregel is verder opgenomen dat de door eiser aangevraagde vergunning tot verblijf bij zijn zus zijn door de IND is afgewezen, maar de minister laat hierbij na om te benoemen dat sinds 6 oktober 2025 een verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep aanhangig is dat nog niet is behandeld.
8. Dit betoog slaagt niet. De rechtbank overweegt dat uit artikel 94, tweede lid van de Vw volgt dat de zitting waarop het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt behandeld, uiterlijk op de veertiende dag na ontvangst van het beroepschrift plaatsvindt. Uit artikel 94, derde lid van de Vw volgt dat de rechtbank mondeling of schriftelijk uitspraak doet en dat de schriftelijke uitspraak binnen zeven dagen na de sluiting van het onderzoek wordt gedaan. Eiser heeft op 7 april 2026 beroep ingesteld en de zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2026, derhalve is er geen sprake van overschrijding van de wettelijke termijn. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat eiser geen effectieve rechterlijke rechtsbescherming is geboden. De rechtbank wijst er hierbij op dat het Unierecht geen nadere termijnen bepaalt voor de toegang tot de rechter na oplegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring. Dit betekent dat het onder de procedurele autonomie van de lidstaten valt en dat de lidstaten niet gehouden zijn de termijnen voor strafrecht integraal over te nemen voor de vreemdelingenbewaring. Eiser heeft op 15 mei 2024 een terugkeerbesluit en een inreisverbod opgelegd gekregen dat in rechte vaststaat en waaraan hij geen gevolg heeft gegeven. Eiser verklaart dat hij niet is vertrokken omdat hij zijn verblijf in Nederland wilde regelen en daarvoor een procedure heeft opgestart. De eerste reguliere aanvraag voor verblijf bij zijn zus is op 2 december 2024 afgewezen. De tweede aanvraag is afgewezen op 8 september 2025. Eiser heeft tegen dit besluit inmiddels beroep aangetekend en heeft hangende dit beroep een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Eiser mag dit beroep niet in Nederland afwachten en ook de uitkomst van het verzoek om een voorlopige voorziening mag eiser op grond van paragraaf B1/7.3 van de Vc [6] niet in Nederland afwachten. Eiser is op 14 april 2026 zelfstandig, met behulp van IOM naar Colombia vertrokken. De rechtbank ziet in deze gang van zaken geen aanleiding voor het oordeel dat eiser geen effectieve rechtsbescherming heeft ontvangen. De beroepsrond slaagt niet.
Ambtshalve beoordeling
9. Ook ambtshalve ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot aan de opheffing daarvan op enig moment onrechtmatig is geweest. [7]
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Eerde, rechter, in aanwezigheid van F.E. Siblesz, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.ECLI:EU:C:2014:1320.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.ECLI:EU:C:2025:647.
6.Vreemdelingencirculaire 2000.
7.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022,