ECLI:NL:RBDHA:2026:9733
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toewijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep wegens late beslissing minister
Verzoeker diende beroep in tegen het uitblijven van een tijdige beslissing van de minister op zijn nareisaanvraag. De rechtbank had eerder bepaald dat de minister binnen acht weken moest beslissen, tenzij nader onderzoek nodig was. De minister heeft deze termijn niet gerespecteerd en pas op 14 maart 2026 een besluit genomen. Naar aanleiding hiervan trok verzoeker zijn beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding.
De rechtbank oordeelt dat de minister tegemoet is gekomen aan het beroep door alsnog een besluit te nemen. Hierdoor is het verzoek tot proceskostenvergoeding kennelijk gegrond. De rechtbank hanteert een wegingsfactor van 0,5 vanwege het lichte gewicht van de zaak en wijst het verzoek toe tot een bedrag van €467, waarbij de minister niet wordt gevolgd in het standpunt dat een lagere wegingsfactor van 0,25 passend zou zijn.
De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en griffier A.W. van Eerden, zonder zitting, en op 22 april 2026 openbaar bekendgemaakt.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van €467 aan proceskosten aan verzoeker wegens late beslissing en intrekking beroep.