Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 27 juli 2025 en had zes maanden om te beslissen, maar heeft dit niet gedaan. Eiser stelde de minister op 27 februari 2026 tijdig in gebreke en diende vervolgens beroep in.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke beslistermijn heeft beslist. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nader gehoor moet afnemen over de asielmotieven van eiser en binnen acht weken daarna een besluit moet nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt. Ook wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser van € 467,- wegens inschakeling van professionele juridische hulp. De uitspraak is gedaan zonder zitting en in het openbaar bekendgemaakt op 22 april 2026.