ECLI:NL:RBDHA:2026:9772
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel vreemdelingenbewaring wegens grensbewakingsbelang
Eiser, een Afghaanse vreemdeling geboren in 2009, is vrijheidsontnemend in vreemdelingenbewaring geplaatst op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij betwist deze maatregel en stelt dat hij ten onrechte in grensdetentie zit omdat hij het Schengengebied al was binnengekomen met een nationaal paspoort. Daarnaast voert hij aan dat zijn belangen, waaronder het bij zijn vader blijven, zwaarder wegen dan het grensbewakingsbelang.
De rechtbank overweegt dat eiser met een nationaal paspoort de paspoortcontrole op Schiphol is gepasseerd en daarmee het Schengengebied heeft verlaten. Dit betekent dat hij zijn asielaanvraag aan de buitengrens van het Schengengebied heeft ingediend zonder te voldoen aan de toegangsvoorwaarden. De rechtbank stelt vast dat onder deze omstandigheden de vrijheidsontnemende maatregel terecht is opgelegd.
Verder benadrukt de rechtbank dat het grensbewakingsbelang in beginsel het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist, tenzij sprake is van zeer bijzondere individuele omstandigheden. De wens van eiser om bij zijn vader te blijven is begrijpelijk, maar vormt geen zeer bijzonder geval. Er is onvoldoende concreet bewijs dat eiser en zijn vader zo afhankelijk van elkaar zijn dat het grensbewakingsbelang moet wijken.
De rechtbank concludeert dat de maatregel niet onrechtmatig is en verklaart het beroep ongegrond. Tevens wijst zij het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.