ECLI:NL:RBDHA:2026:9773
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel vreemdelingenbewaring wegens grensbewakingsbelang
Eiser, een Afghaanse minderjarige, werd in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege het grensbewakingsbelang. Hij stelde dat hij ten onrechte in grensdetentie zat omdat hij het Schengengebied al was binnengekomen via Schiphol met een Indiaas paspoort. Daarnaast voerde hij aan dat zijn belangen, waaronder het bij zijn vader blijven, zwaarder wegen dan het grensbewakingsbelang.
De rechtbank oordeelde dat eiser inderdaad het Schengengebied was uitgereisd omdat hij de paspoortcontrole op Schiphol was gepasseerd met een nationaal paspoort van India. Hierdoor was voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de maatregel. Het grensbewakingsbelang vereist in beginsel het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel, tenzij sprake is van een zeer bijzonder geval.
De rechtbank vond de situatie van eiser niet zodanig uitzonderlijk dat hiervan kon worden afgeweken. De wens om bij zijn vader te blijven was begrijpelijk, maar onvoldoende concreet onderbouwd om het grensbewakingsbelang te laten wijken. Ook de ambtshalve toetsing leidde niet tot het oordeel dat de maatregel onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.
Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.