Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9776

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
NL26.18508
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 Vreemdelingenwet 2000Art. 96 lid 3 Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000Art. 6:21 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing onrechtmatige maatregel van vreemdelingenbewaring en toekenning schadevergoeding

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep tegen de voortzetting van een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op 26 december 2025. De maatregel werd eerder als rechtmatig beoordeeld tot het sluiten van het onderzoek dat aan een eerdere uitspraak ten grondslag lag. Na intrekking van het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag op 27 februari 2026, had de verweerder twee dagen om de grondslag van de maatregel te wijzigen, wat niet is gebeurd.

De rechtbank oordeelde dat de maatregel met ingang van 28 februari 2026 onrechtmatig is geworden en dat een onrechtmatige vrijheidsontnemende maatregel haar rechtsgeldigheid niet kan herwinnen. De nieuwe asielaanvraag van eiser op 5 maart 2026 maakte dit niet anders. Daarom werd het beroep gegrond verklaard en de opheffing van de maatregel bevolen.

Daarnaast kende de rechtbank een schadevergoeding toe van €5.880,- voor 49 dagen onrechtmatige detentie en veroordeelde de Staat tot betaling van proceskosten van €934,-. De uitspraak is onherroepelijk en er staat geen rechtsmiddel tegen open.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, beveelt opheffing van de maatregel van bewaring en kent schadevergoeding toe.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.18508

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. O.C. Bondam),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.E. van den Burg).

Procesverloop

1. Verweerder heeft op 26 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Verweerder heeft op 2 april 2026 voor eiser een kennisgeving voortduring bewaring aan de rechtbank verzonden. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Daarbij is verzocht om schadevergoeding.
1.2.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.3.
Op 15 april 2026 heeft de gemachtigde van eiser aan de rechtbank laten weten dat hij zich wenst te onttrekken aan het beroep omdat eiser wenst niet verder door zijn gemachtigde te worden bijgestaan. De rechtbank heeft hierop laten weten dat het aan eiser is om zelf een nieuwe gemachtigde te vinden, indien hij dat wenst, en dat zonder tegenbericht de behandeling van het beroep wordt voortgezet.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Van de zijde van eiser is niemand verschenen.

Overwegingen

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 29 januari 2026 (in de zaak NL26.1630) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser heeft een afwijzende beschikking gekregen op zijn asielaanvraag en daar heeft hij beroep tegen ingediend. Dit beroep heeft eiser op vrijdag 27 februari 2026 ingetrokken. Op dinsdag 3 maart 2026 heeft de rechtbank de intrekking aan partijen bevestigd. Op donderdag 5 maart 2026 heeft verweerder eiser gehoord over het voornemen om een nieuwe vrijheidsontnemende maatregel op te leggen. Tijdens dat gehoor heeft eiser een nieuwe asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft eiser vervolgens geen nieuwe maatregel opgelegd.
5. Eiser heeft aangevoerd dat het dossier niet compleet is. Het verslag van het gesprek tussen eiser en verweerder is niet aan het dossier toegevoegd. De rechtbank begrijpt de grond van eiser zo, dat er een nieuwe vrijheidsontnemende maatregel had moeten worden opgelegd en hij pas kan reageren als het dossier compleet is.
6. De rechtbank overweegt als volgt.
7. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling heeft verweerder na intrekking van het beroep tegen de afwijzende asielbeschikking twee dagen om de grondslag van de vrijheidsontnemende maatregel te wijzigen. [1] Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat deze termijn ging lopen vanaf 3 maart 2026, oftewel het moment dat de rechtbank de intrekking van het beroep tegen de asielbeschikking bevestigde. Dit betoog slaagt niet. Uit artikel 6:21 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat eiser schriftelijk zijn beroep kan intrekken. Bevestiging van de intrekking door de rechtbank is daarbij geen voorwaarde voor (voltooiing van) de intrekking.
8. De rechtbank stelt vast dat eiser zijn beroep heeft ingetrokken op 27 februari 2026. Dit was ook voor verweerder zichtbaar in het digitale dossier. Verweerder had dus uiterlijk op 1 maart 2026 de grondslag van de vrijheidsontnemende maatregel kunnen wijzigen, maar heeft dat niet gedaan. Dat betekent dat de maatregel met ingang van 28 februari 2026 onrechtmatig is geworden. Dat eiser op 5 maart 2026 opnieuw asiel aanvroeg, maakt dat niet anders. Een vrijheidsontnemende maatregel die onrechtmatig is geworden, kan zijn rechtsgeldigheid niet herwinnen. De rechtbank wijst ter vergelijking op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 21 december 2023. [2]
9. Reeds hierom is het beroep gegrond. De rechtbank ziet geen reden voor het oordeel dat de maatregel eerder dan met ingang van 28 februari 2026 onrechtmatig was.
10. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 49 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 49 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 5.880,-.
11. De rechtbank veroordeelt de verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 17 april 2026;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 5.880,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1869.