ECLI:NL:RBDHA:2026:978

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
NL26.670
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenrechtelijke zaak

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 12 januari 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende de maatregel van bewaring van een Roemeense eiseres. De maatregel was opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op 28 december 2025, maar werd op 13 januari 2026 opgeheven. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit, dat tevens als verzoek om schadevergoeding moet worden aangemerkt. De rechtbank heeft op 14 januari 2026 de zaak behandeld, waarbij eiseres en verweerder zich lieten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft zich beperkt tot de vraag of eiseres recht heeft op schadevergoeding, nu de bewaring was opgeheven.

De rechtbank overweegt dat de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring onrechtmatig was, omdat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld in de uitzetting van eiseres. Eiseres beschikte over een geldige identiteitskaart en de eerste uitzettingshandeling vond pas op 5 januari 2026 plaats, negen dagen na de oplegging van de maatregel. De rechtbank oordeelt dat de navraag bij de Afdeling Boekingen op 29 december 2025 niet kan worden aangemerkt als een daadwerkelijke uitzettingshandeling. De rechtbank concludeert dat de maatregel van bewaring vanaf het moment van opleggen onrechtmatig was en kent eiseres een schadevergoeding toe van € 1.700,- voor de onrechtmatige detentie van 17 dagen. Daarnaast worden de proceskosten van eiseres, ter hoogte van € 1.868,-, vergoed door de Staat der Nederlanden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.670

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. F. Boone),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.A. Weststrate).

Procesverloop

Bij besluit van 28 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 13 januari 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiseres schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Voortvarend handelen
2. Eiseres voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting. Omdat zij in het bezit was van een geldige identiteitskaart, valt niet in te zien waarom er niet eerder dan op 5 januari 2026, de negende dag van de vreemdelingenbewaring, een eerste uitzettingshandeling is verricht. De maatregel is daarom van meet af aan onrechtmatig.
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er voldoende voortvarend is gehandeld. Omdat eiseres had aangegeven op een ander vliegveld (dan het vliegveld in Boekarest) aan te willen komen, heeft verweerder op 29 december 2025 bij de Afdeling Boekingen nagevraagd of dat mogelijk was. Deze navraag is volgens verweerder aan te merken als de eerste daadwerkelijke uitzettingshandeling. Op 30 december 2025 werd duidelijk naar welk vliegveld eiseres kon vertrekken. Vervolgens heeft verweerder op 5 januari 2026 een vertrekgesprek met eiseres gevoerd en op 6 januari 2026 een vlucht geboekt. Eiseres is op 13 januari 2026 uitgezet naar Roemenië.
4. Eiseres heeft de Roemeense nationaliteit en beschikte ten tijde van het opleggen van de maatregel van bewaring over een geldig, op haar naam gestelde, Roemeense identiteitskaart. Onder deze omstandigheden dient verweerder bij de voorgenomen uitzetting een meer dan gebruikelijke voortvarendheid te betrachten (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3338). Anders dan verweerder meent, is de rechtbank van oordeel dat de navraag bij de Afdeling Boekingen over het vliegveld van aankomst op 29 december 2025, niet aan te merken is als een daadwerkelijke uitzettingshandeling. Hoewel deze handeling verband houdt met de bewerkstelliging van de beoogde uitzetting, heeft de handeling voor de uitzetting geen directe betekenis. Dit brengt mee dat de eerste daadwerkelijke uitzettingshandeling heeft plaatsgevonden op 5 januari 2026, toen met eiseres een vertrekgesprek is gehouden. Het aldus op de negende dag van de vreemdelingenbewaring verrichten van een eerste, voor de uitzetting van directe betekenis zijnde handeling, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende voortvarend. De rechtbank betrekt hierbij dat niet is gebleken van concrete beletselen voor verweerder om eerder tot dergelijke handelingen over te gaan. Uit de omstandigheden dat er in de betreffende periode een weekend zat en een feestdag plaatsvond, volgt op zichzelf geen concreet beletsel voor het eerder verrichten van uitzettingshandelingen. Verder weegt de rechtbank mee dat niet is gebleken dat eiseres heeft geweigerd de benodigde medewerking aan haar uitzetting te verlenen. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond. De maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig.
6. Aan eiseres wordt een schadevergoeding toegekend voor 17 dagen onrechtmatige tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel, ter hoogte van € 1.700,- (= 17 x € 100,- (verblijf detentiecentrum)).
7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres van € 1.700,-, te betalen door de griffier, en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van
mr.B.C.M. Burger, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.