ECLI:NL:RVS:2022:3338
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling in bewaring gesteld na niet-uitgewerkt besluit tot verwijdering
De staatssecretaris stelde de vreemdeling op 2 augustus 2019 in vreemdelingenbewaring nadat hij had vastgesteld dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf meer had. De rechtbank had de bewaring onrechtmatig verklaard omdat de vreemdeling na vertrek naar Roemenië opnieuw rechtmatig verblijf had verkregen. De staatssecretaris ging in hoger beroep.
De Raad van State onderzocht of het besluit tot verwijdering het oorspronkelijke besluit (in primo) is of het besluit op bezwaar. Het Hof van Justitie bepaalde dat alleen fysiek vertrek niet volstaat; het verblijf moet daadwerkelijk en effectief zijn beëindigd. De Afdeling concludeerde dat het besluit in primo het verwijderingsbesluit is en dat de rechtsgevolgen pas intreden na het besluit op bezwaar. Omdat de vreemdeling binnen de termijn van het bezwaar niet vrijwillig vertrok, was het besluit niet uitgewerkt.
De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. De bewaring was rechtmatig omdat de vreemdeling niet aan het verwijderingsbesluit had voldaan. Ook werden proceskosten aan de staatssecretaris toegekend. De overige bezwaren van de vreemdeling, zoals het vertrouwensbeginsel en de overschrijding van de ophoudingstermijn, werden verworpen.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling is rechtmatig omdat het verwijderingsbesluit niet is uitgewerkt en de staatssecretaris terecht de bewaring heeft bevolen.