Eiser, een Syriër die in 2013 vanwege oorlog en vervolging vertrok, vroeg in november 2023 asiel aan in Nederland. De minister wees de aanvraag in februari 2026 af wegens onvoldoende geloofwaardigheid van de door eiser gestelde problemen met zijn ex-schoonfamilie en het ontbreken van een reëel risico op vervolging.
De rechtbank behandelde het beroep in april 2026 en oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs leverde voor zijn huwelijk en de dreiging door zijn ex-schoonfamilie. Documenten die hij overlegde waren niet controleerbaar en hij deed onvoldoende inspanningen om bewijs te verkrijgen. Ook zijn verklaring over het moment van melding van zijn asielmotieven was inconsistent.
De rechtbank stelde vast dat de minister terecht concludeerde dat het risico op vervolging wegens desertie van zijn broer en dienstweigering is komen te vervallen door de machtswisseling in Syrië en een amnestie. De algemene veiligheidssituatie in Syrië, inclusief Aleppo, is volgens recente rapporten niet verslechterd en humanitaire omstandigheden zijn niet direct relevant voor asielbescherming.
Eiser slaagde er niet in aan te tonen dat hij persoonlijk een reëel risico loopt bij terugkeer. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenvergoedingen af.