ECLI:NL:RBDHA:2026:9792
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsaanvraag verzorgende ouder op grond van afhankelijkheidsverhouding met minderjarige kinderen
Eiser, een derdelander afkomstig uit Marokko, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument EU/EER op grond van artikel 20 VWEU Pro en het arrest Chavez-Vilchez, als verzorgende ouder van zijn minderjarige Nederlandse kinderen. De minister wees de aanvraag af omdat eiser onvoldoende aannemelijk maakte dat er sprake is van een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding die rechtvaardigt dat zijn kinderen hem zouden moeten volgen bij terugkeer naar Marokko.
De rechtbank stelt vast dat eiser niet samenwoont met zijn kinderen, geen objectieve bewijsstukken heeft overgelegd die aantonen dat hij meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken verricht, en dat het ouderschapsplan onvoldoende bewijs vormt. Ook is vastgesteld dat de minister terecht heeft meegewogen dat het grootste deel van de zorg bij de andere ouder ligt en dat er geen sprake is van een hechte persoonlijke band die het gezinsleven beschermt onder artikel 8 EVRM Pro.
De belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro is door de minister zorgvuldig en volledig uitgevoerd, waarbij het algemeen belang van de Nederlandse Staat en aspecten van openbare orde zwaarder wegen dan het persoonlijke belang van eiser. De rechtbank concludeert dat de minister een fair balance heeft gevonden en dat het beroep ongegrond is.
Eiser krijgt geen verblijfsvergunning, geen terugbetaling van griffierecht en geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter B. Fijnheer op 16 april 2026.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verblijfsaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding.