Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9806

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
NL26.3001
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30b Vw 2000Art. 31 Vw 2000Art. 3 EVRMHandvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens strijd motiveringsbeginsel

Eiseres, een vrouw uit de Comoren, diende op 28 december 2025 een asielaanvraag in vanwege bedreigingen door haar broer na het ontdekken van haar ongehuwde zwangerschap. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag op 12 januari 2026 af als kennelijk ongegrond, stellende dat het verhaal van eiseres niet geloofwaardig was en dat zij geen reëel risico liep bij terugkeer.

De rechtbank behandelde het beroep op 24 maart 2026 en oordeelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom het asielrelaas ongeloofwaardig zou zijn. De rechtbank wees op het ontbreken van concrete motivering over verzachtende omstandigheden, het niet meenemen van landeninformatie over eerwraak en geweld tegen vrouwen, en het onterecht terzijde schuiven van verklaringen van eiseres en haar medisch adviseur.

De rechtbank stelde vast dat het aan de minister is om de geloofwaardigheid te beoordelen en dat het bestreden besluit strijdig is met het motiveringsbeginsel. Daarom vernietigde de rechtbank het besluit en gaf de minister zes weken de tijd om een nieuw besluit te nemen. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd wegens strijd met het motiveringsbeginsel.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3001

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. F. Boone),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: F. in den Bosch).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag.
1.1.
Eiseres heeft op 28 december 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 12 januari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. [1]
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde, F. Sergent als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
Asielrelaas
2. Eiseres heeft de Comorese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1999. Eiseres heeft aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij problemen heeft met haar broer op de Comoren. Eiseres heeft verklaard dat haar broer achter haar zwangerschap was gekomen terwijl zij ongehuwd is. Hij heeft eiseres vervolgens verzocht om het ouderlijk huis te verlaten en haar bedreigd met de dood. Bij terugkeer naar de Comoren vreest eiseres voor haar broer.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres;
de problemen van eiseres vanwege haar zwangerschap.
3.1.
Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig. Verweerder vindt de problemen van eiseres vanwege haar zwangerschap niet geloofwaardig, omdat haar verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. [2] Verweerder vindt verder dat eiseres bij terugkeer naar de Comoren geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM. [3] Verweerder heeft een terugkeerbesluit opgelegd waarin staat dat eiseres onmiddellijk moet terugkeren naar de Comoren. Ook heeft verweerder een inreisverbod voor de duur van twee jaren opgelegd.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiseres voert allereerst aan dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat zij geen plausibele verklaring heeft gegeven voor haar gedragingen ten aanzien van de zwangerschapstest. Voorts heeft verweerder ten onrechte terzijde geschoven dat naast de gemachtigde ook de medisch adviseur constateerde dat eiseres een afwezige indruk maakte. Daarnaast begrijpt eiseres niet wat verweerder bedoelt met de stelling dat van haar verwacht mag worden dat zij haar moeder wellicht had verteld over ‘verzachtende omstandigheden omtrent haar zwangerschap’. Verder miskent verweerder dat de broer van eiseres haar wel iets heeft aangedaan door haar uit huis te zetten. Eiseres merkt voorts op dat verweerder geen landeninformatie heeft betrokken over eerwraak en geweld tegen vrouwen op de Comoren. Bovendien heeft verweerder niet geconcretiseerd wat wordt bedoeld met de tegenwerping dat eiseres geen poging heeft ondernomen om haar situatie te veranderen. Verweerder gaat er ook ten onrechte vanuit dat een enorm netwerk nodig zou zijn om op de hoogte te raken van het verblijf van eiseres elders op de Comoren. Daarnaast is het standpunt dat eiseres niet om bescherming heeft verzocht bij de autoriteiten onvoldoende gestoeld op landeninformatie. Verweerder heeft voorts niet getoetst of eiseres een risico loopt op schending van artikel 3 van Pro het EVRM doordat zij als alleenstaande vrouw met een kind in een zeer kwetsbare positie verkeert bij terugkeer naar de Comoren. Tot slot voert eiseres aan dat haar aanvraag ten onrechte is afgewezen als kennelijk ongegrond. Het terugkeerbesluit en inreisverbod kunnen daarom evenmin stand houden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal hierna toelichten hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
De geloofwaardigheidsbeoordeling
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat hij de problemen van eiseres vanwege haar zwangerschap ongeloofwaardig vindt. Hierbij acht de rechtbank het volgende van belang.
6.1.
Verweerder heeft eiseres mogen tegenwerpen dat zij haar positieve zwangerschapstest twee dagen op een tafel in haar kamer heeft laten liggen. Eiseres heeft namelijk ook verklaard dat haar moeder soms op haar kamer kwam [4] , zij uit een streng islamitisch gezin komt [5] en haar relatie met de vader van haar dochter geheim moest houden. [6] Ook heeft zij verklaard dat zij in de problemen zou komen als haar familie achter haar zwangerschap zou komen. [7] Het betoog van eiseres dat verweerder onvoldoende oog heeft voor het feit dat mensen verschillend kunnen reageren, zeker in stresssituaties, maakt voorgaande niet anders. Eiseres heeft er namelijk eerder op verschillende manieren ook voor gezorgd dat haar relatie geheim bleef. Dat dit volgens eiseres een andere situatie was, omdat de relatie iets leuks was en buitenshuis plaatsvond, doet daar niet aan af. De omstandigheid dat de gemachtigde en de medisch adviseur hebben geconstateerd dat eiseres een afwezige indruk maakt, heeft verweerder ook niet tot een andere conclusie hoeven leiden. Dit betreft immers een momentopname. Hieruit volgt niet dat eiseres er met haar gedachten niet bij was toen zij de zwangerschapstest op de tafel in haar kamer legde.
6.2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit verder op het standpunt gesteld dat het afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van het asielmotief dat eiseres enerzijds heeft verklaard dat haar broer haar met de dood heeft bedreigd toen hij erachter kwam dat zij zwanger was, en anderzijds heeft verklaard dat hij haar op geen enkele wijze fysiek heeft mishandeld toen hij daar de kans voor had. Ter zitting is aan verweerder gevraagd waarom deze verklaringen worden aangemerkt als onsamenhangend, nu eiseres ook heeft verklaard dat haar broer heeft gezegd dat zij het ouderlijk huis moest verlaten en dat als zij dat zou weigeren hij haar zou vermoorden. [8] Verweerder heeft daarop aangegeven dat niet langer wordt tegengeworpen dat eiseres onsamenhangend heeft verklaard over de bedreigingen van haar broer.
6.3. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het standpunt van verweerder dat niet valt in te zien dat eiseres direct aan haar moeder heeft verteld dat zij zwanger was en geen verdere pogingen heeft ondernomen om de consequenties hiervan te verzachten, onvoldoende is gemotiveerd. In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat het in redelijkheid van eiseres verwacht had mogen worden dat zij haar moeder wellicht had verteld over “verzachtende omstandigheden omtrent haar zwangerschap” waardoor zij lichtere consequenties zou ervaren. Verweerder heeft daarbij echter niet gemotiveerd op welke verzachtende omstandigheden hij doelt en wat maakt dat dit ertoe zou kunnen leiden dat de bekendmaking van haar zwangerschap minder verstrekkende consequenties zou hebben. Ook ter zitting heeft verweerder hier desgevraagd geen antwoord kunnen geven. De rechtbank is bovendien met eiseres van oordeel dat liegen geen reële optie was, nu de moeder van eiseres de zwangerschapstest had gevonden op haar kamer en de zwangerschap uiteindelijk sowieso bekend zou worden.
6.4. Ook de tegenwerping dat eiseres op geen enkel moment een poging heeft gedaan om haar situatie te veranderen, is onvoldoende gemotiveerd. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat niet valt in te zien dat eiseres geen enkele inspanning heeft verricht om in haar land van herkomst de problemen met haar broer te veranderen. Verweerder heeft echter niet gemotiveerd welke inspanningen dan wel van eiseres verwacht hadden mogen worden. Ter zitting heeft verweerder voor het eerst naar voren gebracht dat eiseres haar ouders had kunnen benaderen. De rechtbank ziet niet hoe dit zou kunnen leiden tot een verbetering van de situatie van eiseres nu zij ook heeft verklaard dat haar broer de baas was in huis en haar ouders haar zwangerschap nooit zouden accepteren. [9] Bovendien heeft verweerder in het bestreden besluit opgemerkt dat eiseres de situatie niet enkel met gesprekken zou kunnen oplossen. Niet valt daarom in te zien dat “het benaderen van de ouders” een oplossing zou kunnen bieden.
6.5.
Voorts heeft verweerder ten onrechte in het kader van de geloofwaardigheidsbeoordeling tegengeworpen dat niet wordt gevolgd dat eiseres niet elders op de Comoren kan verblijven. Ook heeft verweerder ten onrechte tegengeworpen dat van haar verwacht had mogen worden dat zij had geprobeerd om bescherming te zoeken bij de autoriteiten van de Comoren. De rechtbank ziet niet in waarom dit af zou doen aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas nu de vraag of eiseres elders op de Comoren kan verblijven of bescherming kan krijgen van de autoriteiten namelijk pas aan de orde op het moment dat de gestelde problemen vanwege de zwangerschap geloofwaardig zijn bevonden. Ter zitting heeft verweerder dit ook bevestigd.
7. Aangezien een aanzienlijk deel van verweerders motivering niet aan het bestreden besluit ten grondslag kan worden gelegd, kan verweerders standpunt dat de verklaringen van eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen zonder nadere motivering geen standhouden. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te houden of zelf in de zaak te voorzien. Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter is het aan verweerder, en niet aan de bestuursrechter, om de geloofwaardigheid van het asielrelaas van een vreemdeling te beoordelen. [10] De rechtbank kan daarom niet zelf beoordelen welk gewicht moet worden toegekend aan de tegenwerping die is besproken in rechtsoverweging 6.1. Het bestreden besluit zal daarom worden vernietigd wegens strijd met het motiveringsbeginsel. De rechtbank komt gelet hierop niet toe aan de bespreking van de overige beroepsgronden.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de asielaanvraag te nemen. Dit omdat het aan verweerder is om een nieuw besluit te nemen. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van zes weken.
9. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting, met een waarde per punt van € 934,-).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M.H. van der Velden, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
3.Achtereenvolgens: het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het Verdrag tot
4.Nader gehoor van 7 januari 2026, p. 13.
5.Nader gehoor van 7 januari 2026, p. 11.
6.Nader gehoor van 7 januari 2026, p. 12.
7.Nader gehoor van 7 januari 2026, p. 13.
8.Nader gehoor van 7 januari 2026, p. 17.
9.Nader gehoor van 7 januari 2026, p. 17.
10.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4586.