AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing voorlopige voorziening tegen vrijheidsbeperkende maatregel en niet-ontvankelijkheid artikel 64 aanvraag
De minister van Asiel en Migratie legde op 2 april 2025 aan verzoeker een vrijheidsbeperkende maatregel op, waarbij verzoeker verplicht werd te verblijven in de gemeente Westerwolde, specifiek in de vrijheidsbeperkende locatie in Ter Apel. Verzoeker stelde beroep in tegen de beslissing op bezwaar waarin zijn verzoek tot opheffing van deze maatregel werd afgewezen. Tevens verzocht hij om een voorlopige voorziening om de maatregel op te heffen totdat op het beroep was beslist.
Op 23 april 2026 behandelde de voorzieningenrechter het beroep en de verzoeken op zitting. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit op bezwaar, waarbij de minister werd opgedragen binnen vier weken een nieuw besluit te nemen. Hierdoor was een voorlopige voorziening niet langer nodig en werd het verzoek daartoe afgewezen.
Daarnaast verzocht verzoeker om de aanvraag op grond van artikel 64 vanPro de Vreemdelingenwet in Nederland te mogen afwachten. De rechtbank oordeelde dat dit verzoek geen connexiteit had met het onderhavige beroep en dat de minister nog geen besluit had genomen op deze aanvraag, waardoor het verzoek niet-ontvankelijk werd verklaard.
De rechtbank veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 934,00 conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het verzoek om artikel 64 aanvraag af te wachten wordt niet-ontvankelijk verklaard.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.8837
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam], verzoeker,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. K.S. Kort),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
Inleiding
1. De minister heeft op 2 april 2025 aan verzoeker een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, zoals bedoeld in artikel 56, eerste lid van de Vw [1] . Het besluit verplicht verzoeker met ingang van 3 april 2025 te verblijven in de gemeente Westerwolde, waar hij zich in de vbl [2] in Ter Apel dient op te houden.
1.1.
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van de minister op het bezwaar van verzoeker, waarin zijn verzoek de vrijheidsbeperkende maatregel op te heffen, kennelijk ongegrond is verklaard [3] . Verzoeker heeft daarbij verzocht om een voorlopige voorziening.
1.2.
Op de zitting heeft verzoeker ook verzocht om een voorlopige voorziening inhoudende dat hij zijn aanvraag zoals bedoeld in artikel 64 vanPro de Vw [4] in Nederland mag afwachten.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken, gelijktijdig met het beroep, op 3 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat de vrijheidsbeperkende maatregel zal worden opgeheven tot op het beroep is beslist.
2.1.
Bij uitspraak van vandaag, is op het beroep beslist. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de beslissing op bezwaar vernietigd. De minister is daarbij opgedragen binnen vier weken een nieuw besluit te nemen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
2.2.
Gelet op de uitkomst van de bodemzaak veroordeelt de voorzieningenrechter de minister wel in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,00 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1).
2.3.
Met betrekking tot het verzoek de artikel 64 aanvraagPro in Nederland te mogen afwachten, is de rechtbank van oordeel dat dit verzoek geen connexiteit heeft met onderhavig beroep, namelijk het beroep tegen het besluit met betrekking tot de vrijheidsbeperkende maatregel. Daar komt bij dat de minister nog geen besluit heeft genomen op de artikel 64 aanvraagPro. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek daarom niet-ontvankelijk.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening met betrekking tot de vrijheidsbeperkende maatregel af;
verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening met betrekking tot de artikel 64 aanvraagPro niet-ontvankelijk;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.