ECLI:NL:RBDHA:2026:985

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
NL25.33797
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vreemdelingenwet 2000Art. 3:2 Algemene wet bestuursrechtArt. 3:46 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Alleenstaande minderjarige vrouw mag niet zonder beter onderzoek naar opvangmogelijkheden in Adigrat worden teruggestuurd

Eiseres, een alleenstaande minderjarige vrouw uit de Tigray-regio in Ethiopië, verzocht asiel vanwege oorlogsomstandigheden en persoonlijke risico's bij terugkeer. Verweerder wees haar aanvraag af op grond van de Vreemdelingenwet 2000, stellende dat terugkeer naar Adigrat veilig is en er adequate opvang is, mede vanwege de zorgplicht van haar ouders en familie.

De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht uitgaat van Ethiopië als land van terugkeer, maar onvoldoende heeft gemotiveerd dat er adequate opvang voor eiseres in Ethiopië is. Verweerder heeft nagelaten grondig onderzoek te doen naar de opvangmogelijkheden, zoals vereist op grond van jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De rechtbank wijst het standpunt van verweerder af dat ouders of familieleden in Adigrat voldoende opvang kunnen bieden zonder concrete bewijsvoering. Ook het idee dat een weeshuis een adequate opvanglocatie is, is door verweerder laten vallen. De rechtbank beveelt verweerder aan binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak.

Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van eiseres. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldig en volledig onderzoek naar opvangmogelijkheden voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen bij asielprocedures.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende onderzoek naar adequate opvang in Ethiopië.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.33797

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. S.R. Kwee),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. Ch.R. Vink).

Samenvatting

De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat een alleenstaande minderjarige vrouw niet teruggestuurd kan worden naar Adigrat (een stad in Tigray, Ethiopië) zonder beter onderzoek naar de opvangmogelijkheden daar. Dit onderzoek moet verweerder doen omdat ze minderjarig is.

Procesverloop

1. Bij besluit van 22 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend.
3. De rechtbank heeft het beroep op 31 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, S. Aniania als tolk, [persoon A] , de jeugdbeschermer van eiseres, [persoon B] , juridisch medewerker bij Nidos en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Het asielrelaas
4. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2009 en is een alleenstaande minderjarige vreemdeling (amv). Ze is afkomstig uit de Tigray-regio in Ethiopië. Eiseres heeft – samengevat – aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij Ethiopië in december 2021 vanwege de oorlog heeft verlaten. Het was toen ongeveer zes maanden oorlog in de Tigray-regio en eiseres was gewond geraakt door een bombardement. Irob, waar eiseres is opgegroeid en waar haar ouders nog steeds wonen, is inmiddels deels in Eritrese handen gevallen. Omdat dit gebied onveilig is en omdat zij dan onder de eeuwigdurende Eritrese dienstplicht zal vallen, kan eiseres niet terug. Zij kan ook niet naar Adigrat (Tigray, Ethiopië) omdat het daar onveilig en een haar ouders naar niet wonen.
Het bestreden besluit
5. Volgens verweerder bevat het asielrelaas van eiseres één asielmotief, namelijk de identiteit, nationaliteit en herkomst. Verweerder acht dit asielmotief geloofwaardig.
Verweerder gaat er ook in mee dat eiseres zowel over de Ethiopische nationaliteit als de Eritrese nationaliteit beschikt. Volgens verweerder kan eiseres terugkeren naar Adigrat, een stad in Ethiopië, omdat ze daar bestendig verblijf had tot aan haar vertrek. Volgens verweerder is er geen sprake van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Ethiopië. Volgens het landgebonden beleid vallen de Irob niet onder een risicoprofiel. Verder is de veiligheidssituatie in Tigray sterk verbeterd na het vredesakkoord. Er is sprake van een lage mate van willekeurig geweld in Ethiopië. Er zijn geen individuele omstandigheden die maken dat eiseres een groter risico loopt slachtoffer te worden van willekeurig geweld. De gestelde vrees voor de Eritrese dienstplicht wordt niet getoetst, omdat het standpunt is – zo volgt ook uit het terugkeerbesluit – dat eiseres terug kan naar Ethiopië.
6. Eiseres krijgt ook geen verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid amv. Er is volgens verweerder in Ethiopië adequate opvang voor haar beschikbaar. Verweerder wijst in de eerste plaats op de zorgplicht die de ouders voor eiseres hebben. Het staat eiseres en haar ouders vrij om in een ander gebied in Ethiopië te gaan wonen dan Irob, bijvoorbeeld in de stad Adigrat (waar eiseres eerder woonde). Als het niet mogelijk is voor haar ouders om zich daar te vestigen, heeft zij in elk geval nog (een) broer(s) en (een) zus(sen) daar wonen.
De beroepsgronden
7. Eiseres voert aan dat zij wel degelijk gegronde vrees heeft voor vervolging dan wel een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Ethiopië en naar Eritrea. Verweerder heeft ten onrechte niet getoetst of eiseres in aanmerking dient te komen voor een asielvergunning vanwege de Eritrese dienstplicht. Verweerder heeft immers erkend dat eiseres naast de Ethiopische nationaliteit ook de Eritrese nationaliteit heeft.
Uit het arrest CF en DN van 10 juni 2021 (ECLI:EU:C:2021:472) van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) volgt dat verweerder de daadwerkelijke bestemming van terugzending naar het betrokken land of gebied bij de beoordeling moet betrekken. Dat is in dit geval onvoldoende gebeurd. Eiseres handhaaft de stelling dat zij niet terug kan naar Irob en wijst in dit verband op bij de zienswijze overgelegde informatie van het UK Home Office van december 2024. Eiseres meent dat zij aan haar bewijslast heeft voldaan. Eiseres wijst op de vragen die de Afdeling op 10 juli 2025 heeft gesteld over de situatie in de Tigray-regio.
Het is voor eiseres onmogelijk om een normaal leven te leiden. Eiseres weet niet hoe zij als minderjarige en in de situatie dat haar ouders in Irob wonen, moet opteren voor de Ethiopische nationaliteit.
Verweerders standpunt dat een weeshuis als adequate opvang voor eiseres kan worden beschouwd, is onvoldoende onderbouwd. Eiseres verwijst in dit kader naar een uitspraak van 25 november 2025 (NL25.27969) van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen (NL25.27969). Eiseres verwijst naar een notitie van een juridisch medewerker van Nidos, waarin onder meer wordt ingegaan op het belang van kindgesprekken in dit soort zaken en op de landeninformatie van VluchtelingenWerk Nederland (VWN) waarin een analyse is gemaakt van de adequate opvang. Verweerder heeft onvoldoende beoordeeld of er daadwerkelijk adequate opvang voor eiseres beschikbaar is. Eiseres kan niet bij haar ouders terecht omdat Irob in handen is van Eritrea. De broer van eiseres is gevlucht naar Libië en haar zus heeft geen leven in Adigrat. Uit de overgelegde landeninformatie van VWN blijkt daarnaast dat het seksueel geweld in Ethiopië ongekend is.
De beoordeling door de rechtbank
Had verweerder aan Eritrea moeten toetsen in plaats van Ethiopië?
8. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder terecht uitgegaan van Ethiopië als land van terugkeer. Eiseres is in Ethiopië geboren en opgegroeid. Zij heeft verklaard dat zij alleen Tigrinya spreekt (p. 4 aanmeldgehoor) en uit Ethiopië is gevlucht vanwege de oorlog in Tigray. Ook heeft zij meermaals verklaard dat zij de Ethiopische nationaliteit heeft (p. 2 HV12 proces-verbaal van gehoor, p. 4 aanmeldgehoor). De vraag of zij - naast de Ethiopische - nog een andere nationaliteit heeft, heeft zij in eerste instantie ontkennend beantwoord (p. 4 aanmeldgehoor). Verweerder mocht er dan ook vanuit gaan dat zij in ieder geval de Ethiopische nationaliteit had. Dat verweerder mee is gegaan in het latere standpunt dat zij ook de Eritrese nationaliteit heeft vanwege het feit dat haar vader uit Senafe (Eritrea) komt, maakt niet dat verweerder aan Eritrea had moeten toetsen. Voorafgaand aan haar vertrek had eiseres bovendien haar normale woon- en verblijfplaats in Adigrat (Ethiopië). Eiseres heeft namelijk verklaard dat zij in Irob is geboren en dat zij toen zij ongeveer vijf jaar oud was Irob heeft verlaten voor Adigrat, waar zij naar school ging (p. 5 aanmeldgehoor). Zij woonde daar samen met haar twee zussen en drie broers tot haar vertrek uit Ethiopië in 2021 (p. 6 aanmeldgehoor). Haar ouders waren in Irob. Voor zover Irob inmiddels (deels) onder controle van Eritrea staat, doet dit hier – vanwege de normale woon- en verblijfplaats van eiseres in Adigrat – niet aan af.
9. Dat betekent dat verweerder ervoor heeft kunnen kiezen (alleen) te motiveren of eiseres bij terugkeer naar Ethiopië een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt. In het verlengde daarvan geldt dat verweerder ook heeft kunnen kiezen (alleen) te onderzoeken of er adequate opvang voor eiseres in Ethiopië is.
Heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat er in Ethiopië adequate opvang is voor eiseres?
10. Daargelaten of verweerder met de verwijzing naar de beperkt gemotiveerde uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 25 december 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:6220) voldoende heeft gemotiveerd dat het in Adigrat veilig genoeg is voor eiseres om naartoe terug te keren, geldt dat onvoldoende is gemotiveerd dat in Ethiopië adequate opvang is voor eiseres.
11. De rechtbank stelt daarbij voorop dat verweerder grondig onderzoek moet verrichten naar de adequate opvang en zich ervan moet overtuigen dat hiervan sprake is. Dit volgt onder andere uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021 (TQ, ECLI:EU:C:2021:9) en de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1530) naar aanleiding van dat arrest. Verweerder heeft deze onderzoeksplicht nader uitgewerkt in het informatiebericht ‘IB 2025/13 Beslissen op AMV zaken na Afdelingsuitspraken van 8 juni 2022 (actualisering)’ (IB 2025/13). Hierin staat – voor zover hier relevant – dat sprake is van adequate opvang, als uit de verklaringen van de niet-begeleide minderjarige blijkt dat de ouder(s) of andere volwassenen die eerder zorg hebben gedragen voor de niet-begeleide minderjarige, op een traceerbaar adres in het land van herkomst of terugkeer aanwezig zijn (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 21 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3331, onder 3.1). In het IB 2025/13 staat ook dat het van belang is om zoveel mogelijk door te vragen over de verblijfplaats van de ouder of verzorger en om naar de contactgegevens van de ouder of verzorger te vragen.
12. Verweerder stelt dat de zorgplicht van de ouders inhoudt dat dat zij er zorg voor dragen dat ‘op enigerlei wijze’ opvang in het land van herkomst aanwezig is. Eiseres heeft volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat het bij voorbaat onmogelijk is dat haar ouders aan die zorgplicht kunnen voldoen. Dit betekent volgens verweerder dat eiseres – net als eerder – in Adigrat kan wonen terwijl haar ouders in Irob wonen. Haar ouders zijn dan aanwezig in hetzelfde land en ze hebben ook nog contact met eiseres. Verweerder verwijst hiervoor naar uitspraken van de Afdeling van 6 juni 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW7803) en 20 december 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4790). De rechtbank gaat daar niet in mee. Dit standpunt is achterhaald door het hiervoor genoemde arrest TQ van het Hof. De rechtbank wijst bijvoorbeeld op de vernietiging door de Afdeling van een rechtbankuitspraak waarin de oude lijn (‘op enigerlei wijze opvang aanwezig’) nog werd gehanteerd in een zaak van
15 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4975). Dat de Afdeling ná het arrest TQ een keer heeft verwezen naar de oude lijn in de uitspraak van 20 december 2023 waarnaar verweerder verwijst, maakt niet dat deze hier ook van toepassing moet worden geacht. In die uitspraak overwoog de Afdeling bovendien dat moest zijn voldaan aan de vereisten uit het arrest TQ. Daar komt ook bij dat deze lijn zich slecht verhoudt tot het IB 2025/13. Verweerder gaat met dit primaire standpunt dan ook voorbij aan het actuele toetsingskader (zoals hiervoor onder 11. uiteengezet).
13. De stelling van verweerder dat adequate opvang aanwezig is omdat de ouders naar Adigrat kunnen verhuizen of eiseres daar kunnen bezoeken, houdt ook geen stand. Verweerder heeft erkend dat Irob in Eritrese handen is, maar stelt dat het niet (zoals eiseres heeft aangevoerd) onmogelijk is om Irob in- en uit te reizen. Ook als dit klopt, ligt het naar het oordeel van de rechtbank gelet op de hiervoor genoemde bewijslastverdeling in eerste instantie op de weg van verweerder om aannemelijk te maken dat dit in het specifieke geval van (de ouders van) eiseres ook mogelijk is. Verweerder heeft dit niet gedaan en heeft dit ook onvoldoende onderzocht tijdens het gehoor. Daarom vindt de rechtbank het niet nodig dat verweerder de informatie van Team Onderzoek en Expertise Land en Taal waaruit zou volgen dat reizen vanuit Irob beperkt mogelijk is, overlegt.
14. Ook het standpunt van verweerder dat de zus van eiseres in Adigrat adequate opvang kan bieden is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd. Het is onduidelijk of de zus inmiddels volwassen is, of zij eerder voor eiseres heeft gezorgd, of zij bereid en in staat is dit in de toekomst te doen, en of zij aanwezig is op een traceerbaar adres. Ook zijn er geen contactgegevens van haar bekend en is eiseres niet gehoord over deze optie. De enkele stelling dat familieleden tot in de vierde graad die in het land aanwezig zijn adequate opvang kunnen bieden op grond van paragraaf B8/6.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000, is dan ook onvoldoende. De rechtbank verwijst hiervoor opnieuw naar het toetsingskader onder 11. van deze uitspraak.
15. Het standpunt dat eiseres desnoods in een weeshuis terecht kan, heeft verweerder in het aanvullende verweerschrift laten vallen.
16. Al met al heeft verweerder dus ten onrechte nagelaten grondig onderzoek te verrichten en zich ervan te overtuigen dat er - ondanks het feit dat haar ouders in het gunstigste geval beperkt zijn in hun mogelijkheden hun woonplaats te verlaten - adequate opvang aanwezig is voor eiseres in Ethiopië. Deze beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

17. Het voorgaande betekent dat het beroep van eiseres gegrond is en dat het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 en Pro artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat de hiervoor geconstateerde gebreken niet in de beroepsfase door verweerder zijn hersteld. De rechtbank zal ook niet zelf in de zaak voorzien, omdat het aan verweerder is om onderzoek te verrichten naar adequate opvang voor eiseres in Ethiopië. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus. De rechtbank zal verweerder dan ook opdragen, met inachtneming van deze uitspraak, binnen acht weken een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiseres.
18. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op
€ 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van P. Deinum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.