Eiser, een Surinaamse nationaliteit dragende man, diende op 5 maart 2025 een opvolgende asielaanvraag in, nadat eerdere aanvragen waren afgewezen. Hij vreesde vervolging vanwege problemen met zijn familie, zijn homoseksualiteit, afvalligheid van het hindoeïsme en bekering tot het Jehova-geloof, en vanwege zijn betrokkenheid bij een drugszaak in Nederland en de mogelijke dreiging van een drugsbende in Suriname.
Verweerder wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, waarbij hij de vrees voor de drugsbende niet als asielmotief meenam. Eiser stelde dat hij hierover niet adequaat is gehoord tijdens het gehoor, waardoor hij niet zijn volledige verhaal kon doen. De rechtbank constateert dat verweerder wist dat eiser hierover wilde verklaren, maar hem niet de kans gaf dit te doen, wat leidt tot een onzorgvuldige voorbereiding en onvoldoende motivering van het besluit.
De rechtbank wijst erop dat het opnieuw horen van eiser niet automatisch betekent dat er sprake is van nieuwe feiten, maar dat verweerder dit moet beoordelen. Andere beroepsgronden, zoals het niet apart beoordelen van afvalligheid als asielmotief en het handhaven van het inreisverbod, worden verworpen. De rechtbank vernietigt het besluit en geeft verweerder acht weken de tijd om het gebrek te herstellen, waarbij eiser opnieuw gehoord moet worden over zijn vrees voor de drugsbende.
De rechtbank houdt verdere beslissingen aan en neemt geen beslissing over proceskosten. Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open, maar dit kan samen met het hoger beroep tegen de einduitspraak worden ingesteld.