ECLI:NL:RBDHA:2026:9926

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
NL26.10539
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening niet-ontvankelijk verklaard

Eiser, met de Algerijnse nationaliteit, diende op 21 januari 2026 een asielaanvraag in Nederland in. Uit Eurodac bleek dat hij op 8 oktober 2025 al een verzoek om internationale bescherming in Spanje had ingediend. Nederland verzocht Spanje om terugname van eiser op grond van de Dublinverordening, welke door Spanje werd aanvaard. Vervolgens diende eiser op 4 maart 2026 ook een asielaanvraag in Duitsland in, die Nederland afwees omdat Spanje verantwoordelijk is.

De minister van Asiel en Migratie nam de asielaanvraag van eiser niet in behandeling op basis van artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is. Eiser stelde dat hij bescherming in Nederland wenste, maar vertrok met onbekende bestemming zonder dit te melden. De gemachtigde van eiser kon geen contact meer leggen.

De rechtbank oordeelde dat bij vertrek met onbekende bestemming zonder contact het beroep in beginsel niet-ontvankelijk is wegens gebrek aan procesbelang. Omdat eiser geen contact meer onderhoudt en een asielaanvraag in Duitsland heeft ingediend, is het aannemelijk dat hij geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard en niet inhoudelijk beoordeeld.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.10539

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. J.W.J. van den Broek),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Smeulders).

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 24 februari 2026 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Op 9 maart 2026 heeft verweerder een brief verstuurd dat de overdrachtstermijn verlengd is omdat eiser vertrokken is zonder bekend waarheen.
Voorts ontving de rechtbank op 27 maart 2026 bericht van de gemachtigde van eiser dat hij niet op de zitting zal verschijnen en verzoekt om de zaak op basis van de stukken af te doen.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL26.10540, op 2 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Inleiding
1.1.
Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1996. Hij heeft zijn asielaanvraag in Nederland op 21 januari 2026 ingediend.
1.2.
Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 8 oktober 2025 in Spanje een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Op 27 januari 2026 heeft Nederland aan Spanje verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Spanje heeft dit verzoek op 3 februari 2026 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening.
1.3.
Op 18 maart 2026 heeft Nederland een claimverzoek van Duitsland ontvangen. Uit het claimverzoek blijkt dat eiser op 4 maart 2026 een verzoek om internationale bescherming in Duitsland heeft ingediend. Nederland heeft dit verzoek op 23 maart 2026 afgewezen, omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening.
Het bestreden besluit
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenweet 2000 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij de overdracht aan Spanje een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) of artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beantwoordt ambtshalve de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep.
4. Als een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, moet er in beginsel van uit worden gegaan dat hij geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. Op basis van een melding dat de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken (‘mob-melding’) mag het beroep dus in beginsel niet-ontvankelijk worden verklaard wegens gebrek aan procesbelang. Dit is anders als een vreemdeling na die melding nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt. In dat geval wordt in beginsel aangenomen dat hij nog wel prijs stelt op bescherming in Nederland. Het voorgaande volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.
5. Uit een zich in het digitale dossier bevindende brief van verweerder aan de gemachtigde van eiser op 9 maart 2026 blijkt dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat om die reden de overdrachtstermijn is verlengd. De gemachtigde van eiser heeft op 27 maart 2026 schriftelijk medegedeeld dat hij geprobeerd heeft contact op te nemen met eiser, maar dat dit niet is gelukt.
6. Nu eiser een asielaanvraag in Duitsland heeft ingediend en de gemachtigde van eiser geen contact meer met hem heeft, moet ervan uit worden gegaan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk in Nederland gezochte bescherming. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit van 24 februari 2026.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.S. Wessels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.