Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9958

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
NL26.516
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij vaststelling nationaliteit in asielprocedure

Eiser diende op 13 oktober 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. Verweerder verleende deze vergunning op 9 december 2025 op grond van de Vreemdelingenwet 2000, geldig tot 13 oktober 2029. Eiser betwistte niet de toekenning van asiel, maar wel de vaststelling van zijn nationaliteit als 'Syrisch', stellende dat hij staatloos Palestijn is en als zodanig geregistreerd moet worden.

De rechtbank oordeelde dat eiser geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van dit beroep. De asielprocedure is primair gericht op het verlenen van asielrechtelijke bescherming en niet op het vaststellen van staatloosheid. Dit volgt uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter. De vaststelling van staatloosheid is niet noodzakelijk voor de beslissing op de asielaanvraag en heeft geen juridische consequenties binnen deze procedure.

De rechtbank wees erop dat eiser een andere procedure kan volgen via de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid, die sinds 1 oktober 2023 van kracht is. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wees zij het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang bij de vaststelling van zijn nationaliteit in de asielprocedure.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.516

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. K. Mohasselzadeh),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. F. in den Bosch).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van verweerder van 9 december 2025.
2. De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Namens verweerder is diens gemachtigde verschenen. Eiser en zijn gemachtigde hebben voor de zitting laten weten niet naar de zitting te zullen komen.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiser heeft op 13 oktober 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 9 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure ingewilligd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. De vergunning is verleend met ingang van 13 oktober 2024 en is geldig tot 13 oktober 2029.
4. Eiser betwist de inwilliging van de asielaanvraag niet, maar wel de vaststelling van zijn nationaliteit als ‘Syrisch’. Eiser voert aan dat hij een staatloze Palestijn is en daarom als ‘staatloos’ moet worden geregistreerd.
5. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. De rechtbank begrijpt dat het voor eiser belangrijk is dat zijn nationaliteit op de voor hem juiste wijze staat vermeld. Verweerder wijst er echter terecht op dat de asielprocedure niet is bedoeld voor het vaststellen van eventuele staatloosheid. Dit volgt uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter. [1] Zolang het vaststellen van staatloosheid niet noodzakelijk is voor zijn beslissing op de asielaanvraag, is verweerder niet verplicht om in dat kader vast te stellen of een vreemdeling staatloos is. Bovendien is de asielprocedure primair gericht op het al dan niet verstrekken van asielrechtelijke bescherming. Eiser heeft die bescherming gekregen met de afgifte van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Daar komt bij dat een eventuele identificatie van staatloosheid door verweerder geen juridische consequenties heeft. Staatlozen kunnen daaraan, in tegenstelling tot de BRP-registratie bij de gemeente, geen rechten ontlenen. Eisers betoog dat hij wel procesbelang heeft omdat bij hem de Syrische nationaliteit is vastgesteld en niet een onbekende nationaliteit, maakt voorgaande niet anders.
6. Dit alles betekent dat de asielprocedure niet de weg is om te procederen over de vaststelling van de staatloosheid. Daarvoor staat eiser een andere procedure ter beschikking, namelijk via de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid die op 1 oktober 2023 in werking is getreden.

Conclusie en gevolgen

7. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Eiser heeft geen procesbelang bij het door hem ingestelde beroep tegen de inwilliging van zijn asielaanvraag.
8. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M.H. van der Velden, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld: uitspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2898 en uitspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3385.