Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9996

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
NL25.39349
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 6:22 AwbArt. 8 EVRMArt. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen beëindiging tijdelijke bescherming derdelander Oekraïne

Eiser, een Nigeriaanse derdelander die tijdelijke bescherming genoot in Nederland vanwege de situatie in Oekraïne, stelde beroep in tegen het besluit van 6 augustus 2025 waarin zijn tijdelijke bescherming werd beëindigd en hij werd verplicht terug te keren naar zijn land van herkomst. Dit besluit werd ingetrokken en vervangen door een nieuw terugkeerbesluit van 17 september 2025, waarop het beroep eveneens zag.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het ingetrokken besluit niet-ontvankelijk, omdat eiser geen belang meer had bij de beoordeling daarvan. Het beroep tegen het terugkeerbesluit van 17 september 2025 werd inhoudelijk behandeld. De rechtbank oordeelde dat het besluit in overeenstemming is met jurisprudentie omtrent de beëindiging van tijdelijke bescherming voor derdelanders uit Oekraïne en dat eiser geen rechtmatig verblijf meer heeft.

Eisers beroep op artikel 8 EVRM Pro en op een ambtshalve refoulementtoets faalde, omdat geen beschermenswaardig gezinsleven was aangetoond en de gevreesde terugkeer naar Nigeria niet feitelijk was onderbouwd. De rechtbank concludeerde dat het terugkeerbesluit terecht is genomen en verklaarde het beroep ongegrond. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten vanwege de onrechtmatigheid van het ingetrokken besluit.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.39349

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).

Procesverloop

Bij besluit van 6 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiser niet langer tijdelijke bescherming geniet en bepaald dat eiser binnen vier weken na 4 september 2025 moet terugkeren naar zijn land van herkomst.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft hierna, onder intrekking van het bestreden besluit, op 17 september 2025 een nieuw terugkeerbesluit genomen. Daarin heeft verweerder vastgesteld dat eisers rechtmatige verblijf onder de Richtlijn Tijdelijke bescherming is geëindigd op 4 maart 2024 en dat eiser overigens niet meer rechtmatig in Nederland verblijft en dat hij binnen vier weken moet terugkeren naar zijn land van herkomst. Op grond van artikel 6:19 van Pro de Awb [1] ziet het beroep van eiser ook op dit besluit.
De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 29 september 2025 bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat eiser moet worden behandeld als ware de Richtlijn Tijdelijke Bescherming nog op hem van toepassing tot vier weken nadat er op het beroep is beslist. [2]
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Eiser is geboren op [geboortedag] 1991 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit.
Ten tijde van de inval in Oekraïne door Rusland op 24 februari 2022 verbleef eiser rechtmatig in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Na zijn vlucht naar Nederland vanwege deze inval heeft hij tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’. Omdat er onduidelijkheid ontstond over de vraag of de tijdelijke bescherming van de ‘derdelanders Oekraïne’ eerder beëindigd mag worden dan die van ontheemden met de Oekraïense nationaliteit, heeft verweerder de gevolgen van de beëindiging van het recht op tijdelijke bescherming bevroren. Deze bevriezingsmaatregel is per 4 september 2025 gestopt.
Eiser voert aan dat het terugkeerbesluit prematuur is, aangezien de bescherming pas eindigt op of na 4 september 2025 en omdat eiser onder de RTB valt vanwege de getroffen voorlopige voorziening. Gelet hierop heeft hij recht op vrijstelling van het MVV-vereiste. Het terugkeerbesluit is in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM [3] . Ook heeft ten onrechte geen (actuele) ambtshalve refoulementbeoordeling plaatsgevonden.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet is gebleken dat eiser nog enig belang heeft bij een verdere beoordeling van het ingetrokken terugkeerbesluit van 6 augustus 2025. Het beroep zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard, voor zover gericht tegen dit besluit.
5. In het arrest Kaduna en Abkez en de daarop gevolgde einduitspraken is geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ eerder dan die van Oekraïners mag worden beëindigd, zij het niet vóór 4 maart 2024. Het terugkeerbesluit van 17 september 2025 is hiermee in overeenstemming. Uit het terugkeerbesluit volgt dat eiser niet langer rechtmatig in Nederland verblijft. De bevriezing van de rechtsgevolgen tot 4 september 2025 geldt als een feitelijke opschorting van de uitvoering van het terugkeerbesluit en heeft niet tot gevolg dat eiser rechtmatig verblijf heeft in Nederland. De op 29 september 2025 getroffen voorlopige voorziening is niet van invloed op de juistheid van verweerders conclusie in het terugkeerbesluit van 17 september 2025 dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland.
6. Eisers beroep op artikel 8 van Pro het EVRM slaagt niet. Uit artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn [4] volgt niet dat verweerder bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit moet toetsen of eiser op grond van artikel 8 van Pro het EVRM in aanmerking komt voor een verblijfsrecht. Voor zover artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn voorschrijft dat lidstaten rekening houden met familie- en gezinsleven, geldt dat ten tijde van het uitvaardigen van het terugkeerbesluit van 17 september 2025 niet is gebleken van het bestaan van beschermenswaardig familie- of gezinsleven. Een door eiser in dat verband ingediende reguliere verblijfsaanvraag is afgewezen.
7. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt ter zitting dat eiser geen zodanige feiten en omstandigheden heeft aangevoerd dat sprake is van zwaarwegende en met feiten onderbouwde redenen zoals bedoeld in het arrest Ararat, [5] die leiden tot een schending van de rechten in artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest. [6] Voor zover eiser ter zitting heeft aangevoerd dat hij bij terugkeer naar Nigeria te vrezen heeft voor een situatie zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn, [7] overweegt de rechtbank dat eiser dit niet feitelijk heeft onderbouwd. Ook hieruit volgt niet dat een risico op refoulement aannemelijk is. Dat in het bestreden besluit slechts is verwezen naar de eerdere buitenbehandelingstelling van eisers asielaanvraag en de mogelijkheid om opnieuw asiel te vragen, betekent dan ook niet dat eiser in zijn belang is geschaad en leidt, met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb, niet tot een geslaagd beroep.
8. De conclusie is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het aangevulde terugkeerbesluit blijft in stand.
9. Omdat het terugkeerbesluit van 6 augustus 2025 door verweerder is ingetrokken, is de onrechtmatigheid van dat besluit gegeven. Daarin ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een door een derde beroepsmatig verleend rechtsbijstand vastgesteld op €1.868, bestaande uit één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van €934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk, voor zover gericht tegen het besluit van 6 augustus 2025;
  • verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
  • veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ter hoogte van €1.868 (achttienhonderdachtenzestig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 23 april 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Zaaknummer NL25.39536.
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Richtlijn 2008/115/EG.
5.ECLI:EU:C:2024:892.
6.Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (2000/C 364/01).
7.Richtlijn 2011/95/EU.