ECLI:NL:RBDOR:2001:AD6418

Rechtbank Dordrecht

Datum uitspraak
15 november 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
11.005113.01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 245 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken ontuchtig karakter bij seksuele handelingen tussen jeugdigen met gering leeftijdsverschil

De rechtbank Dordrecht behandelde de zaak van een verdachte geboren in 1986, die werd beschuldigd van het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige. Tijdens de terechtzitting met gesloten deuren op 1 november 2001 heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en het verweer van de verdediging, die vrijspraak bepleitte.

De rechtbank oordeelde dat niet wettig en overtuigend bewezen kon worden dat verdachte het meisje heeft gedwongen tot de ten laste gelegde handelingen. Daarbij werd rekening gehouden met de parlementaire behandeling van de zedenwetgeving, waarin seksuele handelingen tussen jeugdigen met een gering leeftijdsverschil niet zonder meer als ontuchtig worden beschouwd.

Hoewel de rechtbank aannam dat verdachte de seksuele handelingen heeft verricht, vond zij dat deze niet als ontuchtig in de zin van artikel 245 Sr Pro konden worden aangemerkt omdat de betrokkenen een liefdesrelatie hadden en slechts een jaar in leeftijd verschilden. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van zowel het primair als subsidiair ten laste gelegde.

De officier van justitie had een taakstraf en jeugddetentie geëist, maar deze vordering werd door de rechtbank niet gevolgd vanwege het ontbreken van een ontuchtig karakter en dwang. De uitspraak werd gedaan op 15 november 2001 door een meervoudige kamer.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van wettig en overtuigend bewijs dat seksuele handelingen ontuchtig waren of onder dwang plaatsvonden.

Uitspraak

parketnummer 11.005113.01
datum uitspraak 15 november 2001
Strafvonnis van de arrondissementsrechtbank te Dordrecht.
1. Onderzoek van de zaak.
In de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Dordrecht tegen
[Verdachte]
geboren op [geboortedatum] 1986 op [geboorteplaats]
wonende te [adres],
heeft de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van de arrondissementsrechtbank te Dordrecht het navolgende vonnis gewezen.
De rechtbank heeft de processtukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting met gesloten deuren van 1 november 2001 op de grondslag van de tenlastelegging.
Zij heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van het verweer naar voren gebracht door verdachte en zijn raadsvrouw mr. E.D. van Elst, advocaat te Hardinxveld-Giessendam.
2. De tenlastelegging.
Aan verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de dagvaarding waarvan een kopie in dit vonnis is gevoegd.
3. De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft, het primair ten laste gelegde bewezen achtend, gevorderd de verdachte te veroordelen tot een taakstraf van 100 uren subsidiair 50 dagen jeugddetentie alsmede jeugddetentie voor de duur van 4 maanden geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarde toezicht van de Jeugdreclassering.
4. De verdediging.
De raadsvrouw heeft algehele vrijspraak bepleit, alsmede een strafmaatverweer gevoerd.
De pleitnotities van de raadsvrouw zijn gehecht aan het proces-verbaal van de terechtzitting.
5. Vrijspraak.
5.1. ten aanzien van het primair ten laste gelegde
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder primair is ten laste gelegd. Verdachte dient hiervan te worden vrijgesproken.
De rechtbank acht met name niet bewezen dat verdachte het meisje heeft gedwongen tot het ondergaan de ten laste gelegde handelingen.
5.2 ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde
Weliswaar acht de rechtbank bewezen dat de verdachte de seksuele handelingen als omschreven in de tenlastelegging heeft gepleegd, maar de rechtbank is van oordeel dat die handelingen in dezen niet als “ontuchtig” als bedoeld in artikel 245 Wetboek Pro van Strafrecht aangemerkt dienen te worden. Immers, de handelingen vonden plaats tussen de destijds 14 jaar oude verdachte en een toen 15 jaar oud meisje -die met elkaar een liefdesrelatie hadden gehad- derhalve tussen jeugdigen met een zeer gering leeftijdsverschil.
De rechtbank neemt daarbij in aanmerking de parlementaire behandeling van de wijziging van de zedenwetgeving, naar aanleiding van het rapport van de Adviescommissie Zedelijkheidswetgeving (Commissie Melai). Blijkens die behandeling wordt met het bepaalde in artikel 245 Wetboek Pro van Strafrecht onder meer beoogd bescherming te bieden aan kwetsbare personen, met name 12 tot 16 jarigen, ten opzichte van volwassen personen. Seksueel contact tussen enerzijds een volwassen persoon en anderzijds een 12 tot 16 jarige dient reeds wegens het leeftijdsverschil als “ontuchtig” te worden beschouwd.
Uit die parlementaire behandeling blijkt voorts dat seksuele handelingen tussen jeugdigen onderling, met een gering leeftijdsverschil niet zonder meer als “ontuchtig” dienen te worden beschouwd.
Bijkomende gedragingen van verdachte of bijkomende omstandigheden, die aan die seksuele handelingen een ontuchtig karakter zouden geven, zijn bij het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden.
De rechtbank zal de verdachte daarom ook van het subsidiair ten laste gelegde vrijspreken.
6. De beslissing.
De rechtbank:
Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door
mrs. H.A.C. Smid, voorzitter,
M.E. Kramer en W.P. Sprenger, rechters,
in tegenwoordigheid van A. Gaal, griffier,
en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 15 november 2001.