ECLI:NL:RBDOR:2005:AT8260
Rechtbank Dordrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot doorhaling erkenning door gehuwde man wegens familierechtelijke band
De zaak betreft een verzoek van de officier van justitie om de latere vermelding van een erkenning op de geboorteakte van een kind door een man, die ten tijde van de erkenning gehuwd was met een andere vrouw, door te halen. De man had het kind erkend met toestemming van de moeder, hoewel hij gehuwd was met een andere vrouw dan de moeder. De vrouw en de officier van justitie verschenen niet op de zitting, de man en de bijzonder curator wel.
De rechtbank stelde vast dat de man en de moeder een affectieve relatie hadden waaruit het kind is geboren, dat de man aanwezig was bij de geboorte, en dat hij sindsdien regelmatig omgang met het kind heeft. Op grond hiervan oordeelde de rechtbank dat er een band bestond tussen de man en de moeder die gelijkgesteld kan worden aan een huwelijk, en dat er een nauwe persoonlijke betrekking bestond tussen de man en het kind.
De rechtbank overwoog dat artikel 1:204 lid 1 sub e BW Pro een uitzondering maakt op de nietigheid van erkenning door een gehuwde man indien deze banden aannemelijk zijn. Dit is ook in overeenstemming met artikel 8 EVRM Pro, dat het belang van het kind en de familierechtelijke band beschermt. Daarom is de erkenning rechtsgeldig en bestaat geen grond voor doorhaling van de latere vermelding.
De rechtbank wees het verzoek tot doorhaling af en handhaafde de erkenning van het kind door de gehuwde man.
Uitkomst: Het verzoek tot doorhaling van de latere vermelding betreffende de erkenning wordt afgewezen.