ECLI:NL:RBDOR:2006:AV6072

Rechtbank Dordrecht

Datum uitspraak
15 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
57734 / HA ZA 05-2022
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:1128 BWArt. 28 EEX-VoVerordening (EG) nr. 44/2001CMR
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nederlandse rechter wijst verwijzing naar Italiaanse rechter af in geschil over vrachtbetaling en schadevergoeding

In deze civiele procedure tussen Bertola Central Docks SRL en Hewlett-Packard International SARL staat de vraag centraal of de Nederlandse rechter een zaak betreffende een vordering moet verwijzen naar de Italiaanse rechter of de behandeling moet aanhouden totdat de Italiaanse rechter definitief beslist over een tegenvordering tussen dezelfde partijen.

Bertola vordert betaling van vracht over vervoer in 2003, terwijl HP een procedure in Italië heeft lopen over schadevergoeding wegens diefstal van goederen uit 2000 en 2001. HP verzoekt de Nederlandse rechter de zaak te verwijzen naar Italië of aan te houden op grond van de EEX-Verordening (EG) nr. 44/2001, artikel 28, dat samenhangende vorderingen gelijktijdig moet behandelen.

De rechtbank stelt vast dat de vorderingen niet zo nauw samenhangen dat gelijktijdige behandeling noodzakelijk is om onverenigbare beslissingen te voorkomen. De vrachtbetalingsvorderingen betreffen andere transporten dan de schadevergoedingsvorderingen. Ook een verrekening van vorderingen brengt dit risico niet mee.

Daarom wijst de rechtbank de vorderingen van HP af, veroordeelt HP in de proceskosten en verwijst de hoofdzaak naar een volgende rolzitting voor verdere behandeling. Elke nadere beslissing wordt aangehouden.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot verwijzing en aanhouding af en verwijst de hoofdzaak naar een volgende rolzitting.

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT
Sector civiel recht
kenmerk: 57734 / HA ZA 05-2022
vonnis van de enkelvoudige kamer van 15 maart 2006
in de zaak van
de vennootschap naar Italiaans recht
BERTOLA CENTRAL DOCKS SRL,
gevestigd te Ossona (MI), Italië,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
procureur: mr. V.J. Groot,
tegen
de vennootschap naar Zwitsers recht
HEWLETT-PACKARD INTERNATIONAL SARL,
gevestigd te Meyrin, Zwitserland,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
procureur: mr. L.R.T. Peeters.
Partijen worden hierna ook aangeduid als "Bertola", respectievelijk "HP".
Het verdere verloop van de procedure
1.1 Verwezen wordt naar het tussenvonnis van 17 augustus 2005.
1.2 De rechtbank heeft voorts kennis genomen van de volgende processtukken:
* Akte van repliek in het verwijzingsverzoek;
* Conclusie van dupliek betreffende het verwijzingsverzoek, met 1 productie;
* proces-verbaal van pleidooi zitting van 31 januari 2006;
* Pleitnota van mr. B. de Metz.
De vaststaande feiten
2.1 Op grond van hetgeen enerzijds is gesteld en anderzijds erkend, danwel niet of niet voldoende betwist, alsmede op grond van de inhoud van de overgelegde producties, voor zover niet betwist, wordt het volgende, zakelijk weergegeven, als tussen partijen vaststaand aangemerkt.
2.2 Tussen (de rechtsvoorganger van) HP en Bertola is op 23 juli 1996 een raamovereenkomst gesloten, welke is vastgelegd in de als productie 1 bij Akte houdende overlegging producties in het geding is gebracht (hierna: "Overeenkomst").
2.3 Het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg van 19 mei 1956 (Trb. 1957, 84; hierna: "CMR"), afgezien van de regeling betreffende rechtsmacht, en het Nederlandse recht zijn op de in de Overeenkomst belichaamde rechtsverhouding tussen partijen van toepassing.
2.4 In een procedure voor het gerecht te Rho, Italië, vordert HP een veroordeling van Bertola tot schadevergoeding c.a. wegens diefstallen van in juli 2000 en december 2001 door (de rechtsvoorganger van) HP aan Bertola in het kader van de Overeenkomst ten vervoer meegegeven zaken.
2.5 In de hoofdzaak voor deze rechtbank vordert Bertola veroordeling van HP tot betaling van vracht c.a. wegens in het kader van de Overeenkomst verricht vervoer over de periode maart - oktober 2003.
De verdere beoordeling van de vorderingen in het incident
3.1 Zowel de primaire vordering van HP, tot verwijzing van de zaak naar het gerecht in Rho, Italië, als de subsidiaire vordering van HP, om de onderhavige hoofdzaak aan te houden totdat het gerecht in Rho, Italië, een definitief geworden vonnis zal hebben gewezen, kan slechts voor toewijzing in aanmerking komen indien enige internationale regeling daartoe de mogelijkheid biedt.
3.2 De internationale regeling waarop HP beroep doet is Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Publ. L 012 van 16 januari 2001; hierna "EEX-Vo"). De EEX-Vo is in werking is getreden op 1 maart 2002, derhalve vóór de datum van uitbrengen van het ten verzoeke van HP aan Bertola uitgebrachte exploit van 11 (8) juli 2003 (productie 1 bij Akte houdende verwijzingsverzoek).
3.3 Art. 28, lid 2 EEX-Vo biedt ten aanzien van "samenhangende vorderingen" de mogelijkheid van verwijzing naar het gerecht waar de zaak het eerst is aangebracht. Blijkens het derde lid van art. 28 EEX Pro-Vo zijn vorderingen "samenhangend" in de zin van dat artikel indien tussen de vorderingen "een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven".
3.4 De vraag of de door HP bij het gerecht te Rho aangebrachte zaak eerder aanhangig was dan de hoofdzaak in het onderhavige door Bertola aanhangig gemaakte geding wordt in het midden gelaten.
3.5 HP stelt dat de vorderingen over en weer "samenhangend" zijn in de zin van art. 28 EEX Pro-Vo. Bertola bestrijdt dat.
3.6 Derhalve dient onderzocht te worden of de vorderingen van Bertola "een zo nauwe band" hebben met de vorderingen van HP "dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven".
3.7 De CMR bevat geen regeling betreffende het verschuldigd worden c.q. het betalen van vracht. Het toepasselijke Nederlandse recht bevat wel zodanige regeling.
3.8 Naar Nederlands recht is de vracht -gesteld, noch gebleken is dat de Overeenkomst de strekking van tijdbevrachting heeft- verschuldigd op het ogenblik dat de vervoerder de zaken ten vervoer ontvangt of bij het afgeven van de vrachtbrief (art. 8:1128 BW Pro). Derhalve is de vracht vooruit verschuldigd en is die verschuldigdheid niet afhankelijk van de (onbeschadigde en complete) aflevering van de zaken ter bestemming.
Gesteld, noch gebleken is dat de (vrachtbetalingsregeling van de artikelen 8 en 9) Overeenkomst een andere regeling behelst. Voor de beoordeling van de vorderingen van Bertola is het daarom niet nodig de Overeenkomst uit te leggen.
3.9 Derhalve kunnen de vorderingen van Bertola tot betaling van vracht c.a. onderzocht en beoordeeld worden los van de vorderingen van HP tot betaling van schadevergoeding wegens gestolen ten vervoer meegegeven zaken. De vorderingen van Bertola tot betaling van vracht c.a. betreffen bovendien niet de transporten waarop de vorderingen van HP wegens gestolen vervoerde zaken zijn gegrond.
3.10 Veronderstellenderwijs aannemende dat HP, zoals zij stelt, (krachtens het bepaalde in artikel 6 Overeenkomst Pro) een door Bertola verschuldigde schadevergoeding wegens gestolen ten vervoer meegegeven zaken kan verrekenen met door HP aan Bertola verschuldigde vracht c.a., dan nog brengt die mogelijkheid niet het risico met zich dat "bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven". Immers, nu de betreffende vorderingen van HP voor het gerecht in Rho aanhangig zijn gemaakt komt de Nederlandse rechter niet over de verschuldigdheid van zodanige schadevergoeding te oordelen, nu de betreffende vorderingen van Bertola voor deze rechtbank aanhangig zijn gemaakt komt de Italiaanse rechter niet over de verschuldigdheid van vracht c.a.. te oordelen.
3.11 Tussen de vorderingen over en weer bestaat derhalve niet "een zo nauwe band [..] dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven".
3.12 Noch enige andere bepaling van de EEX-Vo, noch de CMR (veronderstellenderwijs aangenomen dat de CMR integraal van toepassing is) bevat een regeling op grond waarvan de rechtbank in het onderhavige geval de hoofdzaak naar het gerecht in Rho zou behoren te verwijzen of de behandeling van de hoofdzaak zou behoren aan te houden totdat het gerecht in Rho definitief over de vorderingen van HP zal hebben beslist.
3.13 Daarom komen noch de primaire, noch de subsidiaire vorderingen voor toewijzing in aanmerking.
3.14 HP zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.
De verdere beoordeling van de vorderingen in de hoofdzaak
4.1 Nu de vorderingen in het incident bij dit vonnis worden afgewezen, zal in de hoofdzaak worden doorgeprocedeerd.
4.2 De zaak wordt verwezen naar de rolzitting van 12 april 2006 voor het nemen van een conclusie van antwoord.
4.3 Elke nadere beslissing zal worden aangehouden.
De beslissing
De rechtbank:
In het incident
Wijst de vorderingen af;
Veroordeelt eiseres in de proceskosten in dit incident tot en met dit vonnis bepaald op € 1.808,- aan salaris van de procureur en nihil aan verschotten;
In de hoofdzaak
Verwijst de zaak naar de rolzitting van 12 april 2006 voor het nemen van een conclusie van antwoord;
Houdt elke nadere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 15 maart 2006.