ECLI:NL:RBDOR:2011:BP5399
Rechtbank Dordrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- S.M. Lecluse-de Bruijn
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beëindiging agentuurovereenkomst zonder dringende reden en schadevergoeding
In deze zaak gaat het om een geschil tussen een Nederlandse handelsagent en een Duitse principaal over de beëindiging van een agentuurovereenkomst en de financiële afwikkeling daarvan.
De handelsagent vorderde een verklaring voor recht dat hij de overeenkomst op grond van dringende redenen had opgezegd en eiste schadevergoeding, goodwillvergoeding, onbetaalde facturen en incassokosten. De principaal betwistte de dringende reden, stelde dat de agentuurovereenkomst niet bestond maar een overeenkomst van opdracht, en voerde verweer tegen de gevorderde bedragen.
De kantonrechter oordeelde dat de Nederlandse rechter bevoegd was en Nederlands recht van toepassing was. De overeenkomst kwalificeerde als een agentuurovereenkomst. De opzegging was niet op grond van dringende redenen, waardoor de agent schadeplichtig is. De vorderingen over de eindafrekening februari 2010 werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Provisie over maart-juni 2010 en autokosten maart 2010 werden toegewezen. De klantenvergoeding werd afgewezen omdat de beëindiging door de agent kwam zonder gerechtvaardigde omstandigheden.
De proceskosten werden gecompenseerd zodat iedere partij de eigen kosten draagt. De principaal werd veroordeeld tot betaling van €9.726,70 plus wettelijke handelsrente, en de agent tot betaling van €13.125,00 plus wettelijke rente wegens schadevergoeding.
Uitkomst: De handelsagent heeft de overeenkomst zonder dringende reden opgezegd en is schadeplichtig; provisie en autokosten worden deels toegewezen, klantenvergoeding afgewezen.